Milities vechten om luchthaven van Tripoli, vliegtuigen kapot

De regering in Tripoli overweegt buitenlandse hulp in te roepen. De VN hebben hun personeel geëvacueerd.

In de Libische hoofdstad Tripoli zijn zware gevechten uitgebroken tussen rivaliserende milities om de controle over de internationale luchthaven. Daarbij zijn sinds zondagavond zeker dertien doden en dertig gewonden gevallen. Alle vluchten zijn geannuleerd en 90 procent van de geparkeerde vliegtuigen is kapot.

Wegens de verslechterde veiligheidssituatie hebben de Verenigde Naties hun medewerkers geëvacueerd. Omdat de luchthaven is gesloten, moesten zij over de weg naar buurland Tunesië worden gebracht.

Een alliantie van fundamentalistische milities en een strijdgroep uit de stad Misrata viel zondag de luchthaven aan, die sinds de val van de Libische leider Gaddafi in handen is van een militie uit Zintan. De gevechten draaien niet zozeer om ideologie maar om de controle over belangrijke installaties en infrastructuur. Wie de luchthaven controleert, heeft macht.

De strijd tussen milities in de hoofdstad broeit al langere tijd. Tripoli is verdeeld in districten die onder controle staan van verschillende milities. Zij staan vaak op de loonlijst van de regering. Er braken al eerder gevechten uit in Tripoli, maar op een kleinere schaal. Nu zijn sommige milities gaan samenwerken waardoor ze machtiger zijn geworden.

De gevechten in Tripoli volgen op maanden van strijd in de oostelijke stad Benghazi, de tweede stad van het land waar de opstand tegen Gaddafi begon. De opstandige generaal Khalifa Hafter heeft de oorlog verklaard aan fundamentalistische milities in Benghazi. Hoewel de militie uit Zintan die de luchthaven controleert, aan de kant van Haftar staat, lijkt de generaal niet betrokken bij de strijd in Tripoli.

De Libische regering overweegt de internationale gemeenschap om hulp te vragen. „De regering heeft de mogelijkheid bestudeerd om internationale troepen te vragen de veiligheid te waarborgen”, zei een woordvoerder op een persconferentie. „Dit geeft de regering tijd om de staatsinstellingen op te bouwen.” (BBC, Reuters)