Mauritshuis

Ik zag jou in het Mauritshuis, kijkend en foto’s makend van de schilderijen. Je droeg een wit vestje met zwarte bolletjes en had een zwarte bril en lange donkere haren. Toen ik jou bij de kassa zag staan, besloot ik dat ik je wilde aanspreken, ik ging op de trap zitten om te wachten tot je klaar was. Maar toen het zover was, had ik te veel tijd nodig om moed te verzamelen. Je rende naar buiten waar je werd opgewacht – ik denk door je ouders. Mijn kans was verkeken.

De hele terugreis moest ik aan jou denken, en aan het feit dat ik zo stom was geweest. Ik was naar het Mauritshuis gegaan om de schoonheid van de schilderijen van Rubens, Vermeer en Rembrandt te bewonderen, maar alleen van jou kon ik mijn ogen niet afhouden.