Column

Kikvorsman

Eindelijk gebeurde er wat op die grijze, saaie zondagmiddag. Je kon het merken aan de voorbijgangers, onder wie veel toeristen, die gretig toestroomden. Door een gelukkig toeval bevond ik me juist op dat moment in de frontlinie, of misschien moet ik constateren: God weet wat een columnist toekomt.

We stonden op de Sleutelbrug in Amsterdam. Dat is de brug op de hoek van de Grimburgwal en de Oudezijds Voorburgwal ter hoogte van kunstgalerie Mokum. Daar keken we naar een kikvorsman van de brandweer, die door collega’s op een boot van het Waternet in zijn rubberen harnas werd gehesen. Dat ging met de traagheid die bij zorgvuldigheid hoort.

Er moesten heel wat flappen en ritsen worden dichtgemaakt voordat de man met het zuurstofapparaat op zijn rug te water kon. Hij deed zelf de zwemvliezen aan zijn voeten en stapte kalm het water in, waar hij snel uit het zicht verdween. Het enige wat nog van hem restte, was borrelend water dat zijn onzichtbare bewegingen volgde. Er kon hem niet veel gebeuren, want hij werd aan een lijn vastgehouden door een collega op de boot.

Wat zocht de duiker? Wij, omstanders, hadden geen idee. Op elk van de twee tegenover elkaar liggende kaderanden stond een brandweerauto, een met takelapparatuur en de andere met het opschrift ‘Waterongevallenwagen’. In totaal waren er tien mensen van het Waternet en de brandweer in de weer. Je wilde hen niet lastigvallen met de vraag: wat denken jullie te vinden? Het is bekend dat personeel van hulpdiensten het al moeilijk genoeg heeft. Bovendien waren we in Amsterdam. Daar kun je als hulpverlener beter indrukwekkend zwijgen dan een onbevredigend antwoord geven.

Zo ontstond voor de wachtenden aan de kant een ideale gelegenheid voor speculaties. Zou het een verroeste fiets zijn? Een gezonken bootje? We konden ons niet voorstellen dat je daarvoor met zoveel materieel uitrukt. Maar misschien wisten de hulpverleners het zelf ook niet. Een auto misschien? Plots begonnen we te huiveren. Want bij auto’s kunnen inzittenden horen. Verbeeld je dat die duiker opeens een lijk uit het water zou sjorren. Hoe moesten we dat vertellen aan de kleine kinderen die sommigen van ons bij zich hadden? „Is someone in there?”, vroeg een Amerikaanse toeriste die er als laatste bij was gekomen, maar met een nors gezicht meteen het recht op informatie claimde. „Maybe something”, antwoordde een vrouw.

De duiker zwom terug naar de Waternetboot om een groene haak in ontvangst te nemen. Daarmee verdween hij weer vlug onder water, alsof hij zijn doel had gevonden. De takel van de brandweerauto op de andere kaderand schoof over het water en werd door de duiker aan de groene haak bevestigd.

Het takelen kon beginnen. De bovenkant van een grote, ijzeren, rechthoekige bak werd zichtbaar. „Verrek, de glasbak”, zei iemand. Goed gezien. Langzaam werd het gevaarte, aan de onderkant druipend van de modder, naar de kant getild.

Als we teleurgesteld waren, lieten we het niet merken – behalve dat de meesten nu snel de plaats van handeling verlieten. De overblijvers zagen hoe de glasbak keurig werd herenigd met de andere afvalbak op de kaderand. „Wat een lol om zoiets in het water te plempen”, zei iemand, „daar waren minstens vijf sterke, dronken kerels voor nodig.”

Misschien was het een symbolisch afscheid van de drank – om ook eens van het goede in de mens uit te gaan.