Jaloezie is onuitroeibaar, ook als iedereen gelijk is

Ook onder jager- verzamelaars blijkt afgunst een normale emotie. Maar wel anders: hun jaloezie is collectiever.

Aboriginal ‘Red Flag dancers’ uit Numbulwar op het jaarlijkse Garma festival in Arnhem Land, Australië. Foto Glenn Campbell/ Getty Images

Als antropologe Victoria Burbank voor haar veldonderzoek terugkomt in Numbulwar, komt Sherry, haar vaste assistente, op bezoek. Zij neemt een familielid mee, Mercy. Burbank heeft Sherry af en toe cadeautjes gestuurd voor haar kinderen. Mercy zegt onomwonden tegen Burbank: „Wij zijn jaloers (‘jealous’) omdat jij alles naar Sherry stuurt. Wij zijn jaloers op haar kinderen. Nu is het onze beurt.”

Numbulwar is een Aboriginalgemeenschap in Arnhem Land, een afgelegen gebied in het Northern Territory van Australië. Burbank, verbonden aan de University of Western Australia, doet hier al dertig jaar onderzoek. In The Australian Journal of Anthropology (2014/1) gaat ze nu in tegen collega’s als Charles Lindholm (Culture and envy, 2008) die beweren dat onder jagers en verzamelaars nauwelijks afgunst voorkomt. Volgens Burbank is jaloezie een universele menselijke emotie, maar kennen Aboriginals een culturele variant die strookt met hun gelijkheidsideaal.

De bevolking van Numbulwar gebruikt het Engelse woord ‘jealous’ voor verschillende emoties. Allereerst voor de reactie van een vrouw die ziet dat andere vrouwen naar haar man kijken. Verder wordt het werkwoord ‘jealousing’ gebruikt voor wat wij ‘afgunstig gedrag’ zouden noemen. Zo reageren mensen in Numbulwar als ze zien dat iemand iets heeft wat anderen niet hebben – wat indruist tegen de norm dat iedereen gelijk is. Tenslotte staat ‘jealous’ voor het verlangen vast te houden aan een dierbaar voorwerp of aan voedsel, en niet te hoeven delen met anderen.

Delen en de afwezigheid van welstandsverschillen zijn vanouds de norm onder Aboriginals. Maar tegen dit egalitaire ethos wordt wel degelijk gezondigd en dat roept sterke emoties op. Burbank hoorde regelmatig gemopper, soms regelrechte ruzies, over ‘gierigheid’, ‘verwaarlozing van familie’ en ‘ondankbaarheid’. Die uitingen van onvrede slaan op veelgebruikte strategieën om niet te hoeven delen.

Een van die strategieën is ‘delen op verzoek’: niet spontaan uitdelen, maar alleen ingaan op verzoeken (‘geef mij ook wat’) . Dat snijdt hout in een gemeenschap met schaarse middelen, waar het aantal potentiële meegenieters groot is in verhouding tot wat er te vergeven valt. Alleen geven aan wie erom vraagt, beperkt de kosten en voorkomt wrijving.

Andere strategieën om niet te hoeven delen zijn de jachtbuit verorberen voor thuiskomst; voedsel of spullen verstoppen; ze weggeven en er toch gebruik van blijven maken. Dan kun je tegen vragers zeggen dat je ze niet meer hebt. Burbank maakte mee dat mensen haar tabak of kostbare spullen als bandrecorders in bewaring gaven met de opdracht ze vooral niet weg te geven. Zij zou namelijk ‘sterke ingewanden’ hebben, dat wil zeggen: beter zijn in ‘nee’ zeggen dan de eigenaren zelf. Aboriginals krijgen immers van jongs af aan mee dat je moet delen. En whitefellas als Burbank natuurlijk niet, want die zijn niet van delen.

Verzoeken worden soms geweigerd en verlangens gefrustreerd, en dat leidt tot woede en agressie. Opvallende praktijk is vernietiging van spullen die de oorzaak zijn van zulke spanningen. Toen auto’s hun intrede deden in Numbulwar, merkten de schaarse bezitters ‘hoeveel verwanten ze hadden’. Er was zoveel vraag naar vervoer, dat weigeraars het verwijt kregen ‘jaloers te zijn op hun wagen’. Sommige eigenaren staken uit woede en wanhoop hun auto in brand.

Kapot maken van eigen bezittingen gebeurt vaker: ruiten en muren van huizen, bandrecorders, elektrische kookketels en zakken meel. Aboriginals vernietigen eerder iets van henzelf waar anderen op azen, dan iets wat van een ander is. In Numbulwar draait alles om menselijke relaties. Zij zijn het laatste redmiddel als de nood aan de man komt en hulp van een verre overheid uitblijft.