Even terug

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

‘Is het niet heel eenzaam daar in Amerika? Op jouw leeftijd nog nieuwe vrienden maken, dat lijkt me nou niet makkelijk.”

Ik ben even terug in Nederland. Een gezellige huiskamer in mijn oude Amsterdamse buurtje. Vrienden van vrienden van vrienden. Een kippetje op tafel. Frietjes uit de oven. Met mayonaise natuurlijk, in plaats van tomatenketchup.

Buurman ter rechterzijde, die me de vraag stelt, neemt een trek van zijn sigaret. „Dat is niet echt een open vraag”, antwoord ik.

„Nou”, zegt hij, „heb ik het mis dan?”

„Ik zou niet weten waar ik moet beginnen al je vooroordelen op te sommen”, zeg ik. „Zoals?”, vraagt hij.

„Nou, bijvoorbeeld dat het moeilijk vrienden maken is in Amerika.” Boven klappert een raam. Het is broeierig.

„Dat is juist heel makkelijk”, mengt mijn overbuurman zich enthousiast in het gesprek. „Mensen spreken je daar overal aan. Ze zijn enorm open, nodigen je direct uit voor een etentje.” Overbuurman heeft zelf een tijdje in Amerika gewoond.

„Precies”, zeg ik. „Het is een land van immigranten. Iedereen is een keer een nieuwkomer geweest. Ze weten allemaal nog hoe dat voelt.”

„Noem je dat vrienden?”, zegt buurman rechts, terwijl hij de as van zijn sigaret in zijn halflege koffiekopje klopt. „Dat noem ik oppervlakkige contacten.”

„Nou, nou”, zegt overbuurman. „Je hebt echt wat met elkaar, hoor. Je herkent zoveel.”

„Ja”, zegt buurman rechts, cynisch, „dezelfde eenzaamheid. En dan verhuis je weer en zie je elkaar nooit meer. Vriendschap is toch echt iets anders.”

Een nieuwe fles wijn gaat open. Sigaretten worden gedoofd en aangestoken. Ik krijg een hoestaanval en loop naar buiten. „Je hoeft niet zo aangebrand te reageren”, zegt buurman rechts als ik terugkeer.

„Ik bén niet aangebrand”, zeg ik, blijkbaar net iets te hard. De hele tafel kijkt me nu aan. Buiten begint het te stormen. De oranje slingers bij de overburen wapperen heftig in de wind. De tv wordt aangezet voor het voetbal. Ik ga aan de andere kant van de tafel zitten.

„Fijn dat je er weer bent”, zegt de vrouw die de kip aansnijdt. „Hier is het toch veel gezelliger. Amerikanen zitten nooit zo bij elkaar. Ze roken niet, ze drinken geen wijntje. Kinderen moeten eindeloos heen en weer worden gereden voor een play date. Alles geregeld, nooit eens iets spontaans.”

Voormalig overbuurman is de hond gaan uitlaten. Van hem hoef ik geen steun meer te verwachten. „Dé Amerikanen bestaan niet”, zeg ik. „Net als dé Chinezen. Of dé Fransen. Stokbrood, alpinopet, stinkkaas. Kom op, zeg.”

„Pas op. In iedere cliché zit een kern van waarheid”, zegt buurman rechts over de tafel heen. „Hi, how are you? Fine, how are you. Good. Als je zou zeggen ‘Ik voel me ziek’ dan schrikken ze zich dood. Allemaal zo oppervlakkig.”

Een boot met oranje mensen vaart voorbij. „Een beetje verliefd”, galmt Hazes over de gracht. „Geef nu toch gewoon toe dat Amerika een raar land is”, gaat buurman verder. „Mensen zijn of heel dik, of heel dun. Alles moet politiek correct zijn. Toen ik laatst met Amerikanen op stap was, durfde ik niets meer te zeggen uit angst iemand te beledigen.” Op de tv verschijnt een reclame voor glijmiddel. „Dat zie je daar zeker ook niet, in dat puriteinse land”, zegt iemand. „Alles in het geniep.”

Het bliksemt. Ver weg klinkt de donder.

„Even wennen, hè, zo zonder airconditioning”, grapt mijn buurvrouw, als ik het zweet van mijn voorhoofd wis.