De Kleine Reus schreef over meer dan apartheid

Nadine Gordimer was een brilante chroniqueur van haar tijd. Ze schreef over apartheid, maar ook over milieu, nucleaire rampen, aids, opstandigheid en je niet willen aanpassen.

‘Ik heb mensen bewust willen maken van het leven in Zuid-Afrika tijdens en na de apartheid”, zei Nadine Gordimer toen ze in 2006 op ruim 50 jaar schrijverschap terugblikte.

De Grande Dame, die vanwege haar postuur ook wel de Kleine Reus van de Zuid-Afrikaanse letteren werd genoemd, debuteerde in 1949, toen de apartheidswetten net een jaar officieel beleid waren, met de verhalenbundel Face to Face. Apartheid zou het grootste deel van haar oeuvre bepalen. Maar het in opstand komen tegen conventies en regels zat er voor dit kind van Joods-Britse ouders sowieso al vroeg in, schreef ze in haar autobiografische romandebuut The Lying Days (1953). Ondanks de rebelsheid waarmee ze opgroeide, werd Gordimer lange tijd toch vooral gezien als briljante chroniqueur van de apartheid. Die positie was voor de jury van de Nobelprijs in 1991 ook de reden om haar te bekronen: „Nadine Gordimer schrijft bewogen en direct over de zeer gecompliceerde persoonlijke en sociale verhoudingen in de maatschappij waarin ze leeft”, schreef de jury toen.

Het is waar dat ze de apartheid vanuit vele invalshoeken belichtte, maar wie enkel daarop het accent legt, vergeet haar gelaagdheid en veelzijdigheid. Zeer geslaagd is het werk dat ze in de jaren zeventig en tachtig schreef, zoals de romans July’s People (1981) en Burger’s Daughter (1978). Vooral The Conservationist (1974) is nog steeds een prachtig boek over een blanke boer die door minachting voor zijn omgeving steeds meer verliest. Het is een knappe omdraaiing van de traditionele Zuid-Afrikaanse ‘plaasroman’ – boeken over het gevecht van blanken voor hun land. Terecht ontving ze dan ook voor The Conservationist The Booker Prize.

Nadat de eerste democratische verkiezingen in Zuid-Afrika in 1994 waren gehouden, droogde – anders dan bij andere auteurs die veel over apartheid schreven – haar bron niet op. Met de beklemmende roman The House Gun (1998) snoerde ze iedereen de mond. Hierin werkte ze haar vertrouwde thema over de moraal uit aan de hand van een progressief blank echtpaar, dat geconfronteerd wordt met hun zoon die een moord heeft gepleegd.

Voor iemand die in haar tijd stond en de actualiteit ‘inzichtelijk’ wilde maken – zoals ze haar schrijverschap zag – was er nog genoeg om over te schrijven. Ze schuwde grote onderwerpen niet: milieu, aids en nucleaire rampen. Ze wond zich op over collega-auteurs die te veel een boodschap in hun werk wilden leggen, onderzocht het eigen schuldgevoel om blank te zijn in Zuid-Afrika – een onderwerp dat veel blanke Zuid-Afrikaanse schrijvers bezighoudt. Een enkele keer ging die zoektocht gepaard met ironie, zoals in het verhaal Beethoven was voor 1/16 zwart: „Beethoven was voor eenzestiende zwart verkondigde de presentator van een radioprogramma voor klassieke muziek. Beweert de presentator dit als rehabilitatie van Beethoven? De stem en het ritme verraden de presentator als ontegenzeggelijk blank. Is eenzestiende een onuitgesproken wens van hemzelf? Ooit waren er zwarten die blank wilden zijn. Nu zijn er blanken die zwart willen zijn. Het is hetzelfde mysterie.”

Haar laatste roman No Time Like Present (2012) geeft misschien nog wel het beste weer hoe ze worstelde met schuldgevoel. Het is een persoonlijk verhaal over teleurstelling en over waarom ze toch in haar geboorteland wilde blijven. Veelzeggend is het motto dat kan gelden als de motivatie van haar schrijverschap: „Cynisme zou een roekeloze daad zijn geweest.”