Alleen in Zuid-Afrika kan ik zijn wie ik ben

De Zuid-Afrikaanse schrijfster, Nobelprijswinnares en activiste Nadine Gordimer streed fel tegen de apartheid in haar land.

Nadine Gordimer in 2006 op een literatuurfestival in Rome. Foto AFP

Toen de Grande Dame van de Zuid-Afrikaanse literatuur Nadine Gordimer in 2006 in haar huis in Johannesburg werd overvallen, hield een van de vier overvallers haar korte tijd vast in haar slaapkamer, terwijl de anderen haar huis doorzochten. Aan de Britse krant The Guardian vertelde ze later hoe ze, in de houdgreep, niet door angst, maar door sympathie werd overvallen. „Het was een gespierde, gladde arm en ik dacht: ‘zou er niet iets beters te doen zijn met deze handen, deze arm, dan een oud vrouw te overvallen?’ Wat zonde van die vier jonge mannen. Ze zouden een baan moeten hebben.”

Die blanke schuld tekent de inborst van de zondagavond thuis in Johannesburg overleden Gordimer (90). Zuid-Afrika rouwt bij het nieuws over haar overlijden niet alleen voor de auteur van 15 romans, vele korte verhalen en theaterstukken, maar ook voor de ‘activist’ Gordimer. Ze was het joodse meisje dat zich sinds haar eerste gepubliceerde boek op haar 15de keerde tegen haar spierwitte omgeving. Onder meer in Burgers dochter, over net zo’n nestbevuiler als zijzelf: Bram Fischer, de blanke advocaat van Nelson Mandela. Tweemaal werden haar boeken verboden door de censuur. Na de bloedige jaren van noodtoestand en stuiptrekkingen van een wankelend regime kon het Nobelcomité niet anders dan haar de Nobelprijs voor literatuur toekennen. Het was 1991, een jaar na de vrijlating van Mandela.

In het nieuws komt steeds weer terug dat ze eind jaren tachtig lid werd van Mandela’s ANC. Dat is door de voormalige partijbons Mosiuoa Lekota tegengesproken. „Ze was nooit lid van enige partij. Ze sprak voor haarzelf, tegen het misbruik van de rechten voor de mens, van de mensheid zelve”, zei hij tegen de nationale radio.

Gordimer verborg in haar huis leden van de partij die door de apartheidspolitie werden gezocht. Ze getuigde voor zwarte activisten die beschuldigd werden van het plegen van een aanslag en die de doodstraf boven het hoofd hing. Maar ook na het einde van de apartheid bleef ze activist. Ze vond dat de regeringen van Mandela en Mbeki te weinig deden aan de strijd tegen aids. Toen hun opvolger, Jacob Zuma, werd vrijgesproken van verkrachting van een met hiv besmette vrouw en buiten de rechtbank een dansje deed, noemde Gordimer hem „een Hitler in een bierhal in München”. Later liep ze voorop toen zijn regering een wet voorstelde die leek op die waarmee haar boeken werden verbannen onder apartheid.

Haar teleurstelling over het verschil tussen het Zuid-Afrika waar ze van droomde en het Zuid-Afrika waarin ze gisteren stierf, vatte ze samen in haar laatste boek. In Een tijd als nooit tevoren beschrijft ze het leven van twee voormalige anti-apartheidsactivisten, zwart en blank, die met elkaar getrouwd zijn en als lid van de nieuwe middenklasse zich ongemakkelijk voelen over de criminaliteit en de politiek in het land. De blanke man wil emigreren naar Australië, zijn zwarte echtgenote niet. Het lijkt een denkbeeldig gesprek tussen die andere Nobelprijswinnaar, J.M. Coetzee, die vertrok naar Australië, en Gordimer, die in Zuid-Afrika bleef. In de jaren tachtig flirtte ze nog met het idee naar Zambia te emigreren, maar na een verkennend bezoek realiseerde ze zich dat ze daar als Europeaan gezien zou worden. „Alleen hier kan ik zijn wie ik ben: een blanke Afrikaan.”