Zwoegen op het armoedige Zuid

Directeur Nationaal Programma Rotterdam-Zuid

Valt ’s lands grootste achterstandsgebied uit het slop te halen? Marco Pastors werkt aan een berg problemen.

Marco Pastors: „De meeste jongeren die voor welzijnswerk of een kantoorbaan op mbo-niveau leren, hebben straks geen baan. Ik zeg: stap over naar zorg of techniek.” Foto Andreas Terlaak

Marco Pastors is met zijn maatpak en stropdas een opvallende verschijning in Rotterdam-Zuid. Pal naast zijn kantoor, vlak bij metrostation Maashaven, hangen jonge mannen op de Dordtselaan, de grens tussen deelgemeenten Feijenoord en Charlois. Twaalf jaar geleden werd de Dordtselaan geteisterd door overbewoning, achterstallig onderhoud en overlast. Het gaat nu beter, zegt Pastors. „Weet je hoe je dat kunt zien? Er staan nu fietsen.”

Het gaat misschien iets beter met Rotterdam-Zuid, maar nog lang niet goed genoeg. Rotterdam-Zuid wordt nog steeds het grootste achterstandsgebied van Nederland genoemd. In een rapport over Zuid van eind 2011 werden de problemen „on-Nederlands groot” genoemd. Er wonen 200.000 inwoners, net zoveel als in een stad als Tilburg of Groningen. Een op de vijf huishoudens leeft van een uitkering, gemiddeld in de rest van Nederland is dat een op de tien huishoudens.

Eerst was er het Pact op Zuid, een ambitieuze operatie die het hele gebied uit het slop zou moeten trekken, Daarvoor was 1 miljard euro was uitgetrokken, onder meer voor culturele en culinaire activiteiten waarbij bewoners van Zuid (met achtergronden uit 150 landen) elkaar beter zouden gaan begrijpen. Het Pact op Zuid mislukte en werd in 2011 vroegtijdig gestopt.

Sinds 2012 is er het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid, en daarvan is Marco Pastors (48) directeur. „Het is minder duur maar net zo ambitieus.” Voorheen was hij wethouder voor Leefbaar Rotterdam. Hij zet al zijn energie in om een paar doelen te bereiken: school, werk en wonen.

Het zwaartepunt ligt op zeven zogenoemde focuswijken (75.000 bewoners), vooral dicht bij de Maas gelegen. Daar zijn de problemen nog net wat heftiger en is de armoede het grootst. Het rijk en de gemeente werken samen.

Pastors vindt verbetering van de woningvoorraad absoluut noodzakelijk. „Alleen als er betere huizen bijkomen, blijven mensen die het beter krijgen hier wonen. Nu nog gaan de meesten die het kunnen betalen zo snel mogelijk weg. Ze maken plaats voor weer nieuwe kansarmen.”

Het Nationaal Programma in zijn oorspronkelijke opzet – in twintig jaar 35.000 woningen (waarvan 23.000 particuliere woningen) renoveren of afbreken voor nieuwbouw – begon met een grote tegenvaller. Woningbouwcorporatie Vestia zou daarin een grote rol spelen. Maar na het derivatenschandaal lukte dat niet meer en schrapte Vestia voor 280 miljoen aan nieuwbouw- en renovatieprojecten. Pastors: „Dat is wrang. We zijn nu met het rijk en Vestia op zoek naar andere oplossingen.”

Het is een flinke kluif om geld bij elkaar te krijgen voor de verbetering van woningen en nieuwbouw. De bedoeling was dat daarvoor in twintig jaar een miljard euro zou worden vrijgemaakt, jaarlijks 50 miljoen, door rijk, gemeenten, corporaties en andere investeerders. De eerste jaren kwam er minder dan de helft.

Een ander probleem is dat ouders in de focuswijken de opvoeding van hun kinderen niet aankunnen. Hun kinderen zwerven vaak laat over straat, krijgen soms geen ontbijt, zitten alleen thuis omdat mama werkt en papa er überhaupt niet is. Die kinderen, zegt Pastors, „kunnen dan beter langer op school zitten”.

Kookles, judo en filosofie

In de zeven focuswijken worden daarom children’s zones ingevoerd. Dat betekent dat kinderen elke dag langer op school blijven. In de extra uren maken ze uitstapjes naar bedrijven. Ze krijgen kooklessen en leren wat gezonde voeding is, ze krijgen judo en filosofie. De 33 scholen in de focuswijken doe vanaf komend schooljaar bijna allemaal mee. Pastors: „De bedoeling is dat de Cito-scores omhooggaan.”

Wijkteams moeten probleemgezinnen die het niet meer redden tijdig opmerken en hulp bieden. Een hulpverlener in het team helpt de meest urgente problemen aan te pakken. Hij heeft contact met jeugdzorg, welzijnswerk, politie, schuldhulpverleners, armoedeconsulenten, maatschappelijk werk, wijkverpleegkundigen en ggz-begeleiders. „Natuurlijk, dat wordt al vijftien jaar geroepen. Gezinnen worden gek van al die mensen die zich met hen bemoeien. Maar hier gaan we dat dus ook echt doen!” De eerste zeven wijkteams zijn er al.

Pastors wil ook het aantal mensen in de bijstand terugdringen. „Als er laaggeschoolde banen zijn, moeten ze aan de slag. Problemen helpen we oplossen. Als mensen niet meewerken, korten we op de uitkering. Mensen die geen werk hebben, beginnen met vrijwilligerswerk. Ook hier moet iedereen iets doen voor zijn geld.”

Verder moeten werkgevers en de dienst Werk & Inkomen, die de uitkeringen verstrekt, anders gaan denken. „Als er vacatures waren, kwamen er vaak mensen uit andere delen van Rotterdam of van buiten de stad. Alsof ze er al bij voorbaat van uitgingen dat ze hier geen geschikte mensen zouden vinden.”

Om ervoor te zorgen dat jongeren niet in dezelfde situatie terechtkomen als hun ouders, zegt Pastors, mag je hun studiekeuze best een beetje sturen. „Wat zeg ik, móét je ze sturen.” De meeste jongeren die voor welzijnswerk of een kantoorbaan op mbo-niveau leren, hebben straks geen baan. „Stap over naar zorg of techniek. Dan kan je straks aan de slag. Veel scholieren denken: de opleiding is er, dus het werk zal er ook wel zijn. Maar zo is dat niet.”

Het is ongelooflijk taai om dingen te veranderen, zegt Pastors. „In het weekend denk ik: het gaat niet lukken. Na het weekend: het móét. Mensen met verslaving, schulden, armoede, werkloosheid, huiselijk geweld komen er niet zelf uit. Als we hen niet helpen, gaat de spiraal naar beneden. Als je alles op één hoop gooit, is het een grote berg. Ik probeer die in brokjes te verplaatsen. En dan gaat het wel.”