Column

Daar werd ik geboren, onder de neonletter ‘W’

Na het overlijden van mijn vader was het contact met mijn bejaarde moeder geïntensiveerd. Dat wil zeggen: ik ging wat vaker langs, bezoekjes waarbij ik me tot haar ergernis steeds meer als een mantelzorger gedroeg. Zo controleerde ik de koelkast op producten waarvan de houdbaarheidsdatum was overschreden. Hoe zeer ik me ook elke keer voornam om de aardige zoon uit te hangen, ergernis en irritatie lagen altijd op de loer. Ik luisterde al lang niet meer naar haar verhalen over de keren dat ze met mijn vader ging wandelen op de Posbank en waarbij ze dan telkens hetzelfde wilde zwijn tegenkwamen.

Toen ik vrijdagavond het ouderlijk huis te Velp binnenstapte zei ze geen woord, waarna ze de blik afwendde. Een verkeerde broek aan, eentje met rafels aan de linkerpijp en dat terwijl ik de volgende dag in de boekhandel in de Emmastraat zou gaan voorlezen, een evenement dat voor haar veel meer impact had dan voor mij. De boekhandelaar had zelfs borden met foto’s van mij op de stoep gezet, foto’s waarop ik broeken zonder rafels droeg.

Omdat het om een onoverkomelijke ergernis betrof, ging het de volgende ochtend in de Renault Clio naar Presikhaaf. Naar het afzichtelijke overdekte winkelcentrum waarboven ik – in de flat onder de rode neonletter ‘W’ van ‘Winkelcentrum Presikhaaf’ – geboren ben. Je kon het je niet meer voorstellen, maar ooit was dit een modelwijk: ‘het nieuwe wonen’.

„Iedereen wilde wel met ons ruilen”, zei mijn moeder. „Bezoek keek de ogen uit op het balkon, we woonden het hoogst van iedereen.”

Het winkelcentrum in.

Er waren daar twee kledingwinkels: CoolCat en Boetiek 32. In die laatste zaak zei mijn moeder tegen de verkoopster dat we kwamen voor ‘een vlotte broek’.

In die broek las ik een paar uur later op het gazon voor aan een select publiek: mijn moeder, haar beste vriendin, een buurvrouw en wat andere bejaarde Velpenaren van wie er één een neef had die ook ‘Van Roosmalen’ heette hetgeen ze met een uitgeprinte stamboom kon bewijzen.

„U staat links onderaan.”

Mijn moeder had het, zei ze me later over een krakerige telefoonlijn, erg leuk gevonden.

Ik verstond: ‘Je boek was een groot succes’, waarop ik over dat boek begon.

Mijn moeder: „Nee, je broek. Je broek was een groot succes.”

Ik was weer vijftien.