Lekker woord, desalniettemin

et beweeglijkste orgaan van je lichaam is een mals stuk vlees in je mond: je tong. Geen andere spier is zo soepel, geen lichaamsdeel kan zoveel kanten op bewegen. Heb je weinig ruimte in huis en toch behoefte aan lichaamsbeweging? Praat! Trek je niets aan van de mensen die vinden dat er al te veel gesproken wordt, maar spreek woorden uit en voel ze in je mond.

Het fysieke genoegen dat woorden kunnen geven, daar hoor je weinig over. Voor veel mensen is taal vooral: schrijftaal. Meestal hoef je ook niet te weten hoe je een woord uitspreekt. Al die kleine spierbeweginkjes die een k van een t onderscheiden, komen vanzelf. Wie kan beschrijven hoe hij pakweg droedel zegt, of broodkruimel?

Toch zijn er onmiskenbaar woorden die, los van wat ze betekenen, prettig zijn om te zeggen. Boterbabbelaar. Zebrapad. Friemelen.

Zo maak ik al jaren propaganda voor desalniettemin. Dat woord kan niet vaak genoeg gearticuleerd worden, niet alleen vanwege de optimistische toon of het ouderwetse karakter: het ritme is prettig en bijna alle klanken zitten voorin de mond. Een wereld waarin alle mensen regelmatig desalniettemin zeggen is een betere wereld, dat weet ik zeker.

Ook Vladimir Nabokov kende dat heimelijke genoegen. „Lo-lie-ta”, schreef hij aan het begin van zijn roman Lolita (in de briljante vertaling van Rien Verhoef): „de tongpunt daalt drie treden het gehemelte af en tikt bij drie tegen de tanden. Lo.Lie.Ta.”

Dat ging over medeklinkers, maar sinds vorige week weten we dat ook het uitspreken van klinkers gevoelens kan opwekken. In het wetenschappelijke tijdschrift Emotion verscheen een artikel van Duitse psychologen en taalkundigen die laten zien dat er een verschil is tussen de ie- en de oo-klank.

Als mensen eerst naar een vrolijk filmpje keken en daarna wat onzinwoorden moesten verzinnen, kwamen er relatief veel uit met een ie: bliedie, friegen, siederie. Hadden ze een treurig filmpje gezien, dan zeiden ze juist veel oo’s: bodo, proker, golero.

Omgekeerd werkte het ook. Wanneer mensen een cartoon bekeken en daarbij steeds ie-ie-ie zeiden, vonden ze hem grappiger dan wanneer ze oo-oo-oo zeiden.

Je kunt het verschil makkelijk aanvoelen. Bij een ie span je spieren aan die je ook gebruikt als je glimlacht, terwijl je bij de oo die spieren juist ontspant. Het experiment met die cartoon is al eens eerder gedaan met een potlood. Wanneer je die tussen je lippen houdt, vind je de wereld ook grappiger dan wanneer je de achterkant ervan in je mond stopt. Kennelijk zijn we die spierbewegingen in de loop van de tijd met de gevoelens gaan associëren die we uitdrukken met een glimlach.

Bij een experiment komt dat naar voren, of je verder ooit iets met die kennis doet, is maar de vraag. Je kunt er bij het leren van een vreemde taal bijvoorbeeld niet zomaar van uitgaan dat een woord met een ie wel positief zal zijn. Daarvoor zijn er te veel andere factoren die de klankvorm bepalen. Ook het Nederlands heeft woorden als verdriet of groots, met de ‘verkeerde klinkers’.

Maar het geeft mij wel een nieuw argument voor desalniettemin.