In zijn eentje ervandoor

Tony Martin reed gisteren in zijn eentje naar Mulhouse en finishte met drie minuten voorsprong op zijn achtervolgers. Een bizarre prestatie.De Nederlander Tom Dumoulin werd, weer, knap vierde.

Even voorstellen: Tony Martin, a.k.a. de Pantserwagen, ook wel ‘pletwals’ genoemd. Beest. Rijdt in zijn eentje een heel peloton aan barrels.

Liefst twintig renners deden gisteren alles wat ze konden om de Duitser van Omega Pharma-Quickstep, die in zijn eentje op weg was naar Mulhouse, bij te halen. Maar wat ze ook probeerden, Tony Martin – die en passant de bolletjestrui veroverde – haalden ze niet meer bij.

Algemeen manager Iwan Spekenbrink van de Giant-ploeg: „Normaal verwacht je dat je een vluchter wel weer terughaalt met zo’n grote groep. Dit was bizar, hoe Tony Martin gereden heeft. Ze reden er vol achteraan en toch loopt hij uit naar bijna drie minuten voorsprong.”

Dumoulin voor het klassement?

In de achtervolgende groep van twintig zat ook Tom Dumoulin (Giant), die een opmerkelijke Tour rijdt. Tot vrijdag was hij de best geklasseerde Nederlander. Hij stond dertiende, één plaats boven Bauke Mollema (Belkin). Zou Dumoulin dan toch een klassementsman zijn? Als tijdrijder heeft de Limburger al indruk gemaakt; vorige maand werd hij Nederlands kampioen. Maar voor een klassementsrenner kwam hij nog tekort in de bergen, zeiden zijn ploegleiders. Heuvels gaan prima, het hooggebergte minder.

Totdat Dumoulin vorige maand in de Ronde van Zwitserland bergop ineens met de besten mee kon. Dankzij twee goede tijdritten stond hij de gehele tijd tweede in het klassement. De slotetappe, naar Saas-Fee, eindigde op een berg van de buitencategorie. Dumoulin hield goed stand, verloor slechts twee minuten op de Portugese eindwinnaar Rui Costa (Lampre) en finishte op de meer dan verdienstelijke vijfde plaats in het klassement.

Maar in de etappe van zaterdag, naar Gérardmer, moest hij elf minuten en dertig seconden toegeven op de Franse ritwinnaar Blel Kadri (AG2R). Kon hij niet beter? Of was het bewust? Als hij lager in het klassement staat, laten de grote tenoren hem immers eerder begaan als hij een keertje meezit in een ontsnapping.

Het is natuurlijk beide, zei Spekenbrink gisteren na afloop van de etappe naar Mulhouse. „Als je ziet dat het niet haalbaar is om met de allerbesten mee te gaan, dan moet je in een grote ronde ook aan je kansen gaan denken. Het lijkt me niet verstandig als je je volledig in het rood rijdt voor een dertigste plek, en dan andere kansen opoffert. Op het moment dat je goed in het klassement staat en het is realistisch, dan vecht je ervoor. Maar als je wegzakt, moet je denken: waar liggen onze kansen nog? In zijn geval is dat voor een ritzege gaan.”

Gisteren was Dumoulin niet opgewassen tegen de alles verpulverende dijbenen van Martin. Maar het zal niet de laatste keer zijn dat hij het probeert. De 23-jarige renner uit Maastricht blijft een enigma. Zelfs zijn ploegleiders weten niet hoe ver Dumoulin zich nog kan ontwikkelen. Zijn tijdrit is uitmuntend, en in de sprinttrein voor de Duitser Marcel Kittel is hij een belangrijke schakel.

Nee, hij wil leuke dingen laten zien

En goed meegaan in een ontsnapping kan hij dus ook. „Ik wil graag in dit soort ritten leuke dingen laten zien”, zei hij gisteren zelf, terwijl hij bij de ploegbussen op de parkeerplaats van een fabriekshal in Mulhouse nog even aan het uitfietsen was. „Hier ben ik voor.”

Het is niet verwonderlijk dat Spekenbrink tot op heden buitengewoon content is met de inbreng van de jongeling. „Tom wordt twee keer vierde en heeft goed werk gedaan op de kasseien. Hij rijdt een heel, heel, heel uitgebalanceerde Tour. Heel goed, met mooie uitschieters.”

Goed, de enige echte Nederlandse klassementsrenner is vooralsnog Mollema. Hij zakte gisteren drie plaatsen, naar de twaalfde stek in de strijd om de gele trui. Maar op de hem kenmerkende wijze wist hij te melden dat hij zich daar geen zorgen over maakt. „Wie zijn mij voorbij? Tony Gallopin, Tiago Machado en Pierre Rolland? Die zie ik niet echt als concurrenten. Dat zijn goede renners natuurlijk, maar daar ben ik op zich niet bang voor.”