Column

Een herdenking met een wrang kantje

Toch al weer lang geleden, de grote moordpartij nabij het Bosnische stadje Srebrenica. De helft van de mensen die op deze elfde juli op het Plein in Den Haag aanwezig zijn bij de jaarlijkse Srebrenica-herdenking, was zo te zien in 1995 nog niet geboren, of nog heel jong. Verreweg de meesten van de ongeveer vierhonderd deelnemers zijn van Bosnische komaf.

Toen zij, of hun ouders, in de jaren negentig als vluchteling naar Nederland kwamen, waren zij meestal al betrekkelijk wereldwijze stedelingen uit Sarajevo, Mostar, Tuzla of Travnik, wier leven weinig overeenkomst vertoonde met de meestal primitieve boeren die in Oost-Bosnië verzeild raakten in het mensenpakhuis Srebrenica, en later in de meest grootscheepse slachtpartij die Europa sinds 1945 gekend heeft. Maar dat verhindert hen niet om, uit een soort elementair fatsoen, hier de slachtoffers van de slachting te gedenken. De nationalistische agitatie die de herdenking in vroeger jaren nog wel eens kenmerkte, behoort tot het verleden: er zijn er nog maar weinig nationalistische vlaggen met Franse lelies te bekennen.

Zo doet de sfeer nog het meest denken aan een Nederlandse 4-meiherdenking: naarmate het herdachte langer achter ons ligt en het aantal directe getuigen afneemt, wordt het herdenken steeds meer een vorm van collectieve meditatie, over het slechte in de mens, verbonden met de gedachte dat zoiets niet wéér zou mogen gebeuren.

De aanwezigen lopen het Plein rond, belangstellend gadegeslagen door de klanten van de zonnige terrassen, terwijl de naam wordt voorgelezen van de 173 slachtoffers wier lichaam in het afgelopen jaar alsnog is geïdentificeerd. Zij worden vandaag begraven bij de meer dan 6.000 slachtoffers die al op de massabegraafplaats bij Srebrenica liggen.

Toch heeft deze herdenking een wrang kantje, dat haar anders maakt dan een 4-meiherdenking: de nog immer omstreden kwestie van Nederlandse medeverantwoordelijkheid. Had het Nederlandse bataljon VN-troepen in Srebrenica niet meer moeten doen? Die vraag gaat maar niet weg, ondanks onderzoekscommissies en parlementaire enquêtes, en de in 2006 aan de Nederlandse militairen van Srebrenica door de minister van Defensie uitgereikte medaille, om te benadrukken dat zij naar eer en geweten hadden gehandeld.

Op deze middag is het Bert Bakker, voormalig Kamerlid van D66, die in een toespraak bepleit dat de Nederlandse staat eindelijk eens excuses aanbiedt voor het gebeurde in Srebrenica, bijvoorbeeld volgend jaar, als het twintig jaar geleden is. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het tot die excuses zal komen. Want zoals ook Bakker opmerkt: Nederland is nu eenmaal niet zo goed in het erkennen van eigen feilen of wandaden.

Ook niet als het om genocide gaat. De Nederlandse veldtochten tegen de opstandelingen op Atjeh tussen 1873 en 1913 kostten aan vele tienduizenden dwangarbeiders en Atjeeërs, strijders en niet-strijders, het leven – constateerde de socioloog Abram de Swaan eerder dit jaar in zijn boek over geschiedenis en structuur van genocide, Compartimenten van vernietiging. Toch is de genocide in de Atjeh-oorlogen vrijwel uit ons collectief geheugen verdwenen. Zover is het met ‘Srebrenica’ in ieder geval nog niet.