Zit er een grens aan de maakbaarheid?

Beiden zijn ze bezig met de ‘buitenkant’. Hoe kom je over op tv? Kan deze rimpel botox gebruiken? Dieuwke Wynia en Peter Velthuis spreken elkaar een zomeravond lang over schoonheid en entertainment. Wynia: 'Jij bent een geluksdokter. Ik misschien ook wel.'

Zij is Dieuwke Wynia (1969): hoofdredacteur van De Wereld Draait Door. Hij is Peter Velthuis (1954): cosmetisch dermatoloog, tot voor kort grootaandeelhouder en medisch directeur van de Velthuis Klinieken, waar je je kunt laten behandelen met botox en fillers en laserapparatuur.

De bibliotheek, tien over zes. Zij brengt haar tas naar haar kamer, hij is net weer beneden.

„Er is nu een apparaat”, zegt hij, „waarmee je zelf thuis een microdermabrasie-behandeling kunt doen en Philips vraagt aan mij…”

Microwat?

„Microdermabrasie. Kennen jullie dat niet?” Ongelovig. „Dat is een apparaat waarmee je een laagje van de huid kunt halen, en dan wordt die voller, stralender. Dieuwke kent het zeker, in haar wereld… Philips vraagt nu aan mij hoe ze het in de markt kunnen zetten en mijn theorie is: vrouwen doen dingen voor hun vriendinnen, om erbij te horen. Het gaat hen niet om schoonheid, maar om aantrekkelijkheid en…”

Daar is Dieuwke Wynia weer, op nog hogere hakken dan waarmee ze een uur geleden aankwam. Blauwe sleehakken met rode stippen.

We vragen of ze weet wat microdermabrasie is.

„Natuurlijk weet ik dat.”

Hij knikt naar ons. Zien jullie wel.

Zij: „Haha, nee hoor, ik heb geen idee. Hoe zeg je? Microderma…? Iets met de huid, neem ik aan, want je bent dermatoloog, en je houdt van apparaten, dus eh…”

Hij legt het nog een keer uit. „Een dun laagje, hoor, niet tot bloedens toe, net genoeg om…”

Zij: „En dat doe jij in je kliniek?”

Hij: „Nee, dat kun je zelf thuis doen. Ik was net aan het vertellen dat het niet om schoonheid gaat, maar om aantrekkelijkheid en…”

Zij: „Heb je het over vrouwen of over mannen?”

Hij: „Vrouwen. Van vrouwen die bij ons komen hoor ik vaak: iedereen doet het en ik wil erbij horen. Weten jullie trouwens dat onderzoek, betrouwbaar onderzoek, laat zien dat mooie mensen meer geld verdienen dan lelijke? Vijf categorieën, 1 is extreem mooi, 5 extreem lelijk, en dan zie je dus dat 4 al significant minder…”

Zij, verbaasd: „En intelligentie? Speelt intelligentie nog een rol? En wat is eigenlijk mooi?”

Hij: „Hoe categoriseer je, ja, dat is een relevante vraag.”

Zij: „Extreem lelijk, wat een nare woorden. Mooi, lelijk, dat is dus jouw vocabulaire. Jij kijkt niet naar spannend of opmerkelijk of saai of boeiend. Dat is het vocabulaire van mijn wereld. Mooi kan heel saai zijn. Afwijkend, dat is boeiend.” Ze trekt haar neus op. „Jullie maken alles en iedereen hetzelfde.” Dan: „Ik ken je eigenlijk helemaal niet. Iemand als Robert Schoemacher [botoxarts van BN’ers], identificeer je je daarmee? Wat is die eigenlijk?”

Hij: „Basisarts.”

Zij: „Beledig ik je nu?”

Hij: „Nee, hoor. Maar Schoemacher werkt anders dan wij, Amerikaanser. Vrouwen komen bij hem voor lipvergroting en een maand later komen ze terug: doe er nog maar wat bij, anders ziet niemand het.”

Zij: „Dat is toch zielig!”

Hij: „Wij zijn rustiger. Borstvergroting bijvoorbeeld, tot hoe ver ga je? Er zijn klinieken waar implantaten van 500 cc worden gebruikt. En dat twee keer, een kilo.”

Zij: „Haha, moet je eerst naar de sportschool om je rugspieren te trainen.

Hij: „Wij gaan niet verder dan 400, 420 cc.”

Zij, joelend: „Jongens, wij gaan niet verder dan 420 cc.” Dan: „Moet jij je nog altijd verdedigen voor wat je doet? Of wordt het minder? Ik val je niet aan, hoor.”

Hij: „Het is heel veel minder geworden. Voor mannen is de drempel nog hoog, voor de jongere generatie vrouwen is die verdwenen.”

Zij: „En jij bent nu de gebraden haan.”

Hij: „In het begin zeiden collega-dermatologen dat ik het vak kapot maakte. Ik werd gebeld door de Vereniging voor Dermatologie: je bent opgeleid op kosten van de belastingbetaler.”

Zij: „Je vakgenoten kotsten je uit en toch ging je door. Je had de overtuiging dat je goed bezig was.”

Hij: „Ik kon niet meer terug.”

Zij: „Was het om het geld?”

Hij: „Nee, ik had mijn promotieonderzoek gedaan naar invloed van zonlicht op de huid bij auto-immuunziekten en op een congres in Harvard hoorde ik over de technische mogelijkheden van de laser. Daar wilde ik ook mee werken, en dat stelde ik voor aan de directie van het ziekenhuis – ik werkte in Geldrop – maar die wilde dat niet. Toen heb ik zelf een laser gekocht.”

Zij: „Ging het meteen over cosmetische behandelingen?”

Hij: „Verwijderen van tatoeages, daar begon het mee. We merkten dat de laser ook goed tegen rimpels werkte, De Telegraaf schreef daarover en vervolgens stond bij ons de telefoon roodgloeiend. Toen moest ik van de directie een keuze maken, niet half in het ziekenhuis en half privé, waar ik het overigens mee eens was, en ik heb gekozen voor privé. Iedereen dacht: die komt wel weer terug.”

Zij: „Met hangende pootjes. Gelaserde pootjes.”

Hij: „Maar de markt voor esthetische behandelingen is geëxplodeerd.”

Zij: „Je hebt gelijk gekregen. Fijn voor je.”

Hij: „Heel fijn. In 2000 zei een ziekenhuisdirecteur nog tegen me: als een patiënt van jou hier met een ambulance wordt gebracht omdat er iets is misgegaan, dan sturen we die terug. In 2005 vroeg diezelfde directeur of we konden samenwerken. Het is geland.”

Geland?

Hij: „Het is een levensvatbare industrie. En wij hebben het vak gedegen neergezet. Niet zoals Schoemacher, maar gedegen. Wij doen inmiddels ook verzekerde zorg. Handchirurgie. Spataderen, aambeien. Huidoncologie.”

Zij: „Als je bedenkt waar je mensen het meest mee helpt, zou je dit dan weer kiezen?”

Hij: „Goeie vraag. Ik deed laatst een cursus advanced life support en ik dacht: o ja, dat is leuk, levensreddend bezig zijn.”

Zij: „Wat was je drijfveer om arts te worden?”

Hij: „Toch wel dat ik levensreddend werk zou doen.”

Zij: „Wist je toen al dat je een handige manager bent?”

Hij: „Dat ben ik helemaal niet. Daar heb ik iemand voor in dienst moeten nemen, een bedrijfskundige. Maar jij, Dieuwke. Wat is jouw achtergrond?”

Zij: „Architectuurgeschiedenis. Kunstgeschiedenis.”

Hij: „En toen?”

Ze vertelt over haar bijbaan in café Cox, bij de Stadsschouwburg in Amsterdam, waar het twintig jaar geleden een brandpunt was van journalisten en acteurs en televisiemensen. Ze heeft overwogen te promoveren, maar ze vond die wereld zo leuk, de reuring, de gezelligheid, dat ze besloot dat het die richting moest worden.

Hij: „Een bewuste keuze dus.”

Zij: „Ja, een bewuste keuze.”

Het restaurant, vijf over half acht. Hij vertelt dat hij sinds kort naast zijn werk wiskunde studeert.

Zij: „Dat las ik op internet. Waarom?”

Hij: „Bij wiskunde is volstrekt duidelijk wat goed en fout is. Na twintig jaar beslissingen nemen waarvan je nooit weet hoe ze uitpakken vind ik dat heel lekker. Ik bedoel beslissingen op managementniveau.”

Zij: „Noem eens een foute beslissing.”

Hij: „We hebben wel eens verkeerde apparatuur aangeschaft. Een ton per apparaat, vijf keer, want we hadden toen al vijf klinieken.”

Zij: „Heb je wel eens geprobeerd om bij ons in het programma te komen?”

Hij: „Ja, toen er een groei was van 9 naar 11 procent mannen die bij ons kwamen. We hadden een persbericht verstuurd en toen werden we gebeld. De redacteur vroeg hoe hard het was. Het ging niet door. Een jaar later was het trouwens weer 9 procent.”

Dan komen Shula Rijxman en Frans Klein binnen, bestuurslid en directeur televisie van de NPO. Dieuwke Wynia zegt sorry en staat op. „Heeee! Wat grappig!” Ze zoent ze allebei drie keer.

Als ze weer zit: „Frans is voor mij heel belangrijk geweest in wat ik nu doe. Ik sprak bij zijn afscheid van de VARA en ik vertelde dat hij zo goed kon loslaten. Om de kracht uit mensen te halen moet je ze loslaten. Hij heeft Matthijs en mij uitgedaagd om groter te denken. DWDD was alleen maar een talkshow, tussen haakjes dan, want als je 170 afleveringen per jaar maakt en er kijken 1,4 miljoen mensen naar, dan ben je al heel groot, maar Frans gaf ons vrijheid. We zijn de spin-offs gaan maken, De wereld leert door, De wereld draait buiten, afgelopen zondag, een enorm festival voor 10.000 man, fantastisch was het.”

Ze praten door over organisatie en management, ze vragen aan elkaar aan hoeveel mensen ze leiding geven, of gaven. Dieuwke Wynia: 40 à 50, Peter Velthuis: 220. Na een minuut of tien vragen we aan Peter Velthuis of hij het ziet als mensen iets aan hun gezicht hebben laten doen, of hij op die manier naar mensen kijkt.

Hij: „Vroeger wel, ja. Ik vind het niet meer zo interessant. Maar als jullie me zouden vragen wat je zou kunnen laten doen, heb ik wel een idee.”

Het voorgerecht wordt gebracht, we vragen niet door. Hij zegt: „Ik zou het uit mezelf nooit zeggen. En ik vind het helemaal niet zo leuk dat ik alles zie. Bij mijn kinderen…”

Zij: „Hoeveel kinderen heb je?”

Hij: „Mijn vrouw en ik hebben er samen zes.”

Zij: „Zes?”

Hij: „Vijf uit mijn eerste twee huwelijken, een uit haar eerste huwelijk. De oudste is 29, de jongste 20. En dan zie ik zo’n lijntje bij >> >> de mond, een rimpeltje bij het praten, en dat zeg ik natuurlijk niet, maar ik vind het toch zonde, want ik weet, op den duur…”

Zij: „Zonde? Dat vind ik nou een boeiende opmerking. Waarom is dat zonde?”

Hij: „Ja, nou ja. Iedereen in mijn vak heeft van die dingen. De een is gefixeerd op neuzen, de ander op oren of op de afstand tussen neus en bovenlip, en ik vind lijntjes bij de mond niet mooi.”

Zij: „Het lijkt wel alsof je je ervoor geneert. Het is je werk!”

Hij: „Dat is zo, maar het is werk dat veel vragen oproept en daardoor…”

Zij: „Of zit het in jezelf, dat je zelf denkt…”

Hij: „…dat het eigenlijk geen vak is.”

Zij, verbaasd: „Interessant dat je dat zelf nu zo invult, maar ik bedoel…” Ze maakt haar zin niet af. Ze zegt: „Je zou trots kunnen zijn op wat je hebt neergezet. En je studeert ook nog wiskunde.”

Hij: „Het bedrijf is heel serieus. Maar cosmetische injecties en de laser, dat is niet iets waar je vier jaar voor hoeft te studeren.”

Zij: „Dus?”

Hij: „Dus ben ik blij dat ik het heb gecombineerd met het medisch directeurschap. Dat heeft me mijn identiteit gegeven.”

Zij: „Oeoeoeoe!”

Hij, onverstoorbaar: „Ik ben ook blij dat ik na twintig jaar kan stoppen en iets anders kan gaan doen, nieuwe dingen kan bedenken.”

Zij: „Want je bent binnen.”

Hij, lichtelijk gegeneerd: „Ik heb mijn aandelen verkocht en daardoor ben ik nu onafhankelijk.”

Zij: „En kun je wiskunde studeren. Ik zag op internet dat je ook voorlichting geeft over huidkanker. Dat vond ik heel boeiend.” Hij: „Dat is het ook. Ik heb daar samen met dokter Jetske Ultee een stichting voor opgericht, Sunwiser. We willen schoolpleinen gaan certificeren als er voldoende schaduwplekken zijn. Daar wordt in Nederland niet aan gedacht.”

Zij: „Je bent te bescheiden. Je hebt een heel mooi vak en als je ons leert hoe we onze kinderen kunnen beschermen tegen huidkanker…” Ze knikt hem vriendelijk toe.

Dan zegt ze: „Ik zag een filmpje van je waarin je zegt ‘het probleem van deze vrouw is…’ Je zegt ook dat de mensen die bij je komen bovengemiddeld mooi zijn en dat ze dat graag zo willen houden. Zo praat jij dus, in problemen.”

Hij: „Zo zien mensen het wel. Ze komen naar me toe en zeggen: ik heb een probleem, dokter. Het gaat allemaal hangen.”

Zij: „Wat ik er lastig aan vind, is dat er ontevredenheid gecreëerd wordt. Is het ene verholpen, komt het volgende.” Ze duwt tegen haar kin en wangen. „Ik denk dan: blijf overal van af. Met een beetje mazzel en veel sporten en weinig drinken en niet roken en een leuk leven en een leuke baan kom je al een heel eind.”

Hij: „Jij staat sterk in je schoenen. Veel mensen staan sterk in hun schoenen, hoor. Ze laten zich niets aanpraten. Ze willen gewoon één ding, een ooglidcorrectie bijvoorbeeld. Een ooglidcorrectie is normaal geworden.”

Zij: „O ja? Ik ken niet veel mensen die iets hebben laten doen. Of ik zie het niet. Al denk ik soms: vorige week zag je er anders uit, niet per se beter. Dan zeg jij natuurlijk: dan is het niet goed gedaan.”

Hij knikt. „Te veel, niet op de goede plek. Je moet de harmonie goed in het oog houden. Er zijn algemene wetmatigheden. Rond is mooi. Voor vrouwen dan.”

Zij: „Ik heb best een sterke denkfrons en een sterke mimiek. Stel ik denk: ik wil wat laten doen. Dan begin ik met die denkfrons. Maar je kunt niet een deel van je gezicht aanpakken.”

Hij: „Vaak niet, nee. Bij jonge mensen wel, maar als je ouder wordt…”

Zij, gespeeld verontwaardigd: „Ik ben over de hill. Niet meer te redden.”

Hij: „Jawel hoor, bij jou kan ’t nog wel.”

Zij: „Nee, ik ben te laat!” Dan: „Ben ik even blij. Lekker rustig.” Lachend: „Het is absoluut geen aanval, hoor.”

Hij: „En ik wil je absoluut niet in gewetensnood brengen. Je bent stabiel genoeg om aan te kunnen dat je ouder wordt.”

Zij, tegen ons: „Wat een rare opmerking, eigenlijk. Ik ben stabiel genoeg om aan te kunnen dat ik ouder word.” Tegen hem: „Dat is wat je zegt, toch?”

Hij: „Nou ja…”

Zij: „Weet je, ik heb geen zin in die onrust in mijn kop. Ik begin nu grijze haren te krijgen…”

Hij: „Wat doe je daarmee?”

Zij: „Niets.”

Hij: „Mirjam, mijn vrouw, wordt ook grijs en die doet ook niets.” Ze is politicoloog, chef de bureau van de Argumentenfabriek.

Zij: „Vind je haar nog aantrekkelijk?”

Hij: „Zeker.”

Zij: „Wat doe je zelf?”

Hij: „Een beetje botox en peelings. Ik heb goeie genen, dat scheelt.”

We krijgen een salade van kreeft met inktvis, groene asperges en kwarteleitjes voorgeschoteld.

Hij: „Dit is een sterren-restaurant, toch? Het lijkt me een beetje eenvoudig.” Als hij een hap heeft genomen: „Wat vreselijk dat ik dit zeg. Wat een opschepper.”

Hij vraagt aan haar of DWDD ook een missie heeft. „Waar toets je dingen aan?” Zij: „Of we het boeiend vinden. We hebben geen missie. We willen gewoon de beste talkshow van Nederland maken.”

Hij: „En dan gaat het om verstrooiing.”

Zij: „Ik vind verstrooiing niet zo’n interessant woord.”

Hij: „Wat is goed? Praten jullie daarover?”

Zij: „Dat blijft onuitgesproken. We werken heel intuïtief.”

Hij: „Het is entertainment.”

Zij schudt haar hoofd.

Hij: „Ik vind het een heel leuk programma, hoor, DWDD, maar je zou mensen meer aan het denken kunnen zetten.”

Zij: „Doen we ook. We doen serieuze onderwerpen: wetenschap, kunst, literatuur, klassieke muziek... We hebben het ook over goede doelen, kankeronderzoek bijvoorbeeld, maar af en toe. Als 1,4 miljoen mensen elke avond genieten van je programma en je zet ze af en toe aan het denken, dan heeft dat meer zin dan wanneer je het elke avond doet en de kijker afhaakt.”

Hij: „Ik vind dat je wat moet doen met je leven. Niet alleen maar…”

Zij: „... prikken zetten!”

Hij lacht. „Hou op!”

Zij lacht ook. „Als jij mensen er gelukkig mee maakt, heb je veel bereikt. Je bent een geluksdokter. Wij zijn misschien ook wel geluksdokters.”

Het gesprek komt op Heleen van Royen, op haar boek met selfies en haartentoonstelling in het Letterkundig Museum. >> >> DWDD had haar te gast en toonde de selfie waarop ze een bebloede tampon uit haar vagina haalt. Mediastorm.

Zij: „Dan denk ik wel: gaan we dit uitleggen? Verdedigen is vaak zo zinloos, zonde van de energie.”

En deze keer?

Zij: „Meestal voeg je zuurstof toe als je reageert, maar deze keer heb ik het wel gedaan toen de radio me om een reactie vroeg. Dat die tampon bij haar verhaal hoort en dat we er bewust voor gekozen hadden. Heleen is 49, elke menstruatie kan de laatste zijn. Ik vond het dapper. We lieten veel foto’s zien, ook waarop ze somber en depressief is, die vond ik eerlijk gezegd nog confronterender. ”

Er komt gegrilde harderfilet met een krokantje van de huid. Peter Velthuis zegt dat hij terugneemt wat hij net over het eten zei. Hij vindt het heel goed.

We vragen aan Wynia of zij het ziet als mensen een mediatraining hebben gehad. Zij: „Hennis-Plasschaert, toen we die laatst hadden, viel me op: die heeft zoveel training gehad dat haar energie en karakter helemaal weggebotoxt zijn. Daarom hebben we niet veel politici in het programma. Je krijgt gebotoxte antwoorden.”

Zelf heeft ze ook wel eens een training gedaan, lang geleden. „Wat ik leerde was dat je, als je dat wilt – want je hoeft niets – invloed kunt hebben op hoe je overkomt. Cool en in control? Dan ga je” – ze leunt naar achteren – „zo zitten.”

Hij: „Ik heb verschillende mediatrainingen gehad en wat ik leerde was: voorbereiden, voorbereiden, voorbereiden. Weet wat je wilt zeggen en probeer je eigen verhaal te vertellen, kort en bondig. En geen als-vragen beantwoorden.”

Zij knikt.

Wij zeggen dat iedereen zo op den duur gebotoxt raakt, van binnen en van buiten.

Zij: „Wat een onzin. Nee, hoor. Je hoeft toch geen training te doen? Het lijkt mij wel handig als je op tv gaat, dat je weet hoe je overkomt, maar het valt me op hoe goed de meeste mensen het doen. Natuurlijk, normaal, ook als ze nooit eerder in een talkshow gezeten hebben. Ik zou veel zenuwachtiger zijn.”

Hij vraagt aan haar wat ze doet nu het seizoen voorbij is. Research voor het volgende seizoen?

Zij „En vakantie houden. Maar ik heb” – ze lacht – „deze week al weer een paar sms’jes verstuurd: zet dit vast uit, probeer die gast vast te regelen.”

Ze vertelt over de nieuwe plannen: meer colleges, een summerschool misschien, muziekavonden, iets met guilty pleasures, het festival. „En we bestaan tien jaar.” In september begint ze met een documentaire over Robbert Dijkgraaf in Princeton, het Institute for Advanced Study dat hij daar leidt. Ze is er nu vier keer geweest en elke keer was het wow. „Het is opgericht om de meest briljante mensen in totale vrijheid te laten denken. Het ligt in de bossen. Er is eten, er is rust. Ze moeten niets.”

Hij, zuchtend: „Daar had ik ook wel willen zitten.”

Zij: „Dat snap ik.”

Hij, met een bescheiden blik: „Dermatologie is niet zo’n groot vak. Daar ga je geen wereld mee veroveren.”

Zij: „Geen Nobelprijs voor jou.”

Hij: „Helaas.”

We vragen aan Dieuwke Wynia wat zij nog wil bereiken.

Zij: „Daar heb ik nooit zo over nagedacht. We hebben de Televisier-Ring al gewonnen, de Nipkowschijf.”

Hij: „Niets meer te halen voor jou.”

Zij: „Jawel, jawel. Die documentaire, die wordt internationaal, en er komen misschien nog wel meer documentaires uit voort. Het festival was ook prachtig, dat kan nog veel groter worden. En de colleges. Ik kwam op het idee toen Robbert Dijkgraaf naar Princeton ging. Ik dacht: als er 500.000 mensen kijken, zou het al mazzel zijn. Het waren er bijna een miljoen. Een professor, vijftig minuten lang, in zijn eentje, primetime, over de oerknal. We hadden alle tv-wetten omvergegooid.”

We praten over voetbal. We praten over boeken. Peter Velthuis zegt dat hij een cursus creatief schrijven volgt. Hij wil zich bekwamen in het korte verhaal. Anton Tsjechov is een voorbeeld voor hem. Ook een arts die schreef. „Ik realiseer me heus wel dat iedereen wil schrijven, maar ik vind het gewoon heel erg leuk.” Ongemakkelijk: „Laten we erover ophouden.”

Zij: „Ik ga natuurlijk ooit dé roman over DWDD schrijven.” Ze lacht. „Een sleutelroman.”

De bibliotheek, tien over elf. Zij: „Je bent dus in een vak terechtgekomen dat je nooit gekozen zou hebben.”

Hij: „Dat is waar. Maar ik ben blij met wat ik gedaan heb. Het is me gelukt om erboven uit te stijgen, allerlei eigenschappen hebben me geholpen. Doorzettingsvermogen. Tegen de stroom in durven. Niet bang zijn. Energie hebben.”

Zij: „Dat herken ik heel erg. Ik barst van de energie.”

We zeggen dat ze allebei carrière hebben gemaakt toen de kinderen klein waren.

Zij: „En dat maakt dus niets uit. Mijn zoons en mijn man zouden het leuk vinden als ik er meer was, maar ze zien hoe gelukkig ik ben. Thuis heb ik ook veel energie, te veel soms, vinden zij. Als ze televisie kijken en ik heb overal een mening over. Ik moet wel zeggen, Peter, wat jij doet, in het weekend koken voor zestien mensen, dat doe ik dus niet.”

Hij: „Dat deed ik ook niet toen ik jouw leeftijd had.”

Zij: „Heb je zoons of dochters?”

Hij: „Vijf dochters en één zoon.”

Ze lacht.

Hij lacht ook. „Een van mijn dochters vroeg, toen ze zestien was, of ik iets aan haar wallen kon doen. Nou, nee.”

Zij: „Op haar zestiende?”

Hij: „Die generatie vindt de maakbaarheid van het uiterlijk heel gewoon.”

Zij: „Kun je daar in filosofische zin iets over zeggen? Zit daar een grens aan?”

Hij: „Absoluut.”

Zij: „Ik zou daar van jullie als beroepsgroep meer over willen horen. Niet omdat het niet mag wat jullie doen, maar omdat jullie een belangrijke maatschappelijke functie hebben. Jullie spuiten, dus jullie bepalen. Wij vragen ons bij DWDD ook wel eens of of we iets wel of niet moeten uitzenden.”

Hij: „Wij – en dan bedoel ik in onze klinieken – doen alleen behandelingen die bewezen effectief zijn.”

Zij: „Dat bedoel ik niet. Wat zijn jullie normen? Jullie genezen geen ziekte, jullie veranderen mensen. Jullie geven ze een nieuwe gezichtsuitdrukking.”

Hij: „Wij worden wel de mooimakers genoemd. Het is niet mijn term, hoor.”

Zij: „Ik vind jullie meer vormgevers.”

Hij: „Ja, en je hebt gelijk: daar zit onbewuste en onuitgesproken normering achter. Die zouden we expliciet moeten maken. Is dat wat je bedoelt?”

Ze knikt. „Ik zou wel eens vijf van jullie willen uitnodigen bij DWDD en daarover laten vertellen.”

De ontbijtzaal, de volgende ochtend, vijf over acht. We vragen aan Dieuwke Wynia of ze wel eens aan zichzelf twijfelt.

Zij: „De hele dag. Bij alles wat ik doe en bedenk loopt er een band mee die zegt: is dit wel de goede beslissing, moet het zo, doe ik het wel goed, kan het niet anders. Maar ik uit dat niet. Tijdens mijn studie had ik vriendinnen die heel hard gingen, harder dan ik. Ze zaten in allerlei clubjes, ze gingen naar het buitenland. Ik deed dat allemaal niet en ik had de neiging om tegen hen op te kijken. Op een gegeven moment heb ik ervoor gekozen om dat niet meer te doen. Ik heb gewoon geen zin om mezelf kleiner te maken. Ik ben trots op wat ik kan en wat ik bereikt heb. En jij, Peter, ben jij eigenlijk trots? Ik heb je het nog niet horen zeggen.”

Hij: „Toch ben ik dat wel.” Hij aarzelt even. „Ik laat je graag uitpraten.”

Zij: „Het is fijn om in je kracht te staan. Wij hebben trouwens allebei de mazzel dat we iets doen waar we goed in zijn. Dat werkt als een vliegwiel.”

Hij: „Lukt je werk ook wel eens niet?”

Ze lacht: „Je hebt Matthijs nog nooit zonder gast aan tafel zien zitten. Maar soms…”

Hij: „Ik relativeer altijd en ik weet dat het je zwakker maakt. Maar het is mijn natuur. Misschien is het de wetenschapper in me.”

Zij: „Wat vonden je ouders ervan dat je de cosmetische kant uit ging?”

Hij: „Dat ik geneeskunde ging studeren, en mijn broer ook, dat vonden ze fantastisch. Mijn vader was zo iemand die zichzelf had opgewerkt. Hij werd uiteindelijk directeur van een verzekeringsmaatschappij. Wat hij van de cosmetische kant vond…” Hij aarzelt weer even. „Ik denk dat hij wel trots was op mijn succes.” <<