Bratwurst

Ik ben voor even weer die Rotterdamse jongen van 16 jaar. Daar zat ik, op de bank bij de Engelse overburen. Zij hadden al een kleurentelevisie. Het was de finale van de oranje shirts tegen de zwarte broeken. In de namiddag van 7 juli 1974 wachtte ik op het eerste fluitsignaal van scheidsrechter Taylor. Met mijn idool Willem van Hanegem op het middenveld ging Nederland van Duitsland winnen.

Door het grote raam heen zag ik in onze straat de auto van mijn vader staan. Een BMW. Mijn vader zwoer bij het Duitse automerk. Een Duitse ‘wagen’ liet je nooit in de steek. We gingen ermee op vakantie, meestal naar Frankrijk.

De Engelse Mary liep af en aan met drank, chips en sausages. In de rust stond Nederland al met 2-1 achter. Je had nog geen Borst, Schut, Van Gelder en Egbers in de studio, dus gingen mijn broer en ik op het grasperkje voor het huis een balletje trappen. Dat hielp tegen de zenuwen.

Ik schoot met links een bal perfect langs een boomstam die als doelpaal diende. Zo moest Willem het straks ook doen, in het stadion van München. Maar Willem deed het niet. Het werd niks. Misselijk van de worstjes en de tweede plaats. We zaten met lege handen.

Na de wedstrijd kon Van Hanegem niet tegen zijn verlies. Hij had het niet op Duitsers. Zijn familie in Breskens werd zwaar getroffen door de oorlog. Na de verloren finale beweerde Willem dat de scheidsrechter pro-Duits was: „Die Taylor is slager. Die zal hier alle Bratwurst wel leveren.”

Ik pakte de bal en ging weer naar buiten. Even verderop lag het centrum van Rotterdam. Een gebombardeerde stad in opbouw. Er liepen herten in het omheinde gebied naast het Centraal Station. Er was nog volop ruimte, ook in mijn hoofd.

Ik had geen hekel aan Duitsers. Ik had een enorme hekel aan verliezen. Ik had een hekel aan een land dat ons versloeg en dat was deze keer Duitsland.