Column

Mijn doel: doelloos wandelen en mijmeren

In Parijs wilde ik flaneren. Dat was mijn doel: doelloos wandelen en mijmeren. Want ‘de flâneur’ hoort bij Parijs en bij flaneren hoort ook: geloven in de kracht van het niets doen. Ik begon er direct de dag mee, omdat lopen alleen me niet genoeg leek: ik wilde ook flanerend leven, want alles, ook niets, moet met volle teugen.

Dus bleef ik na de wekker liggen en staarde naar de muur, naar het behang dat bubbelde als de rug van een croissant. Dus ontbeet ik zonder krant of nieuws. Kauwen. Tijdverspillen. Het water van de douche wilde niet langzaam stromen, maar ik rekte minuten met aankleden.

Ik probeerde af te kijken bij een bejaarde die knikkebollend op een bankje aan de Seine zat. Ik keek in het water naar de weerspiegeling van de zon, kneep mijn ogen samen, concludeerde dat alles door je oogharen bezien mooier is, bonzend.

Ik dacht dat ik nu misschien werkelijk gelukkig was, omdat dieren hun ogen ook toeknijpen wanneer ze genieten (of wanneer wij mensen veronderstellend dat ze genieten). Het oude vrouwtje werd wakker en zag de slijm op haar borst – bij gebrek aan geheugen het enige bewijs dat ze geslapen had.

Wars van het krampachtig nietsdoen, nam ik de metro (van te voren gepland met een app) naar een modern kunstmuseum (voorafgaand de openingstijden gecheckt).

Aan de achterkant van het Palais de Tokyo stond een koepeltentje in de schaduw van de trap naar de tentoonstellingshal. Een vlekkerige slaapzak lag uitgerold, een spijkerbroek hing op de stenen vensterbank te drogen. Overal blikjes, lappen en frisdrankflessen. Een slecht onderhouden, maar reeds lang bewoond nest.

Na een hallucinerende video-installatie van de jonge Ed Atkins – een moderne, multimediale Howl – kwam ik misselijk van verzadiging, zoals na te veel drank, het museum uit. Daar was juist een modefotoshoot bezig.

Een meisje met felgestifte lippen had gescheurde lappen om haar lijf gewikkeld, de huid van haar smalle middel zichtbaar, de ogen opgemaakt met glitters. Een fotograaf klikte en een assistent herschikte haar scheuren om de zoveel seconden. Een andere assistent liep met een sigaret van mond tot mond, zo hielden de belangrijke mensen hun handen vrij. Hij stak een nieuwe aan en schoot de opgerookte peuk naar de hoop blikjes en flessen verderop, waar het huis van polyester stond.

De bevolkte vensterbank van het museum leek een boulevard waar de uitersten van het stadsleven elkaar schampten. Ik liep een paar keer op en neer. De sigarettenassistent vroeg wat ik aan het doen was.

„Niets”, zei ik. Hij leek zich niet te herkennen.

En ik realiseerde me dat ik waarschijnlijk, in de ogen van velen, altijd al doelloos leek. Alleen: in Parijs zou het flaneren heten.