Ruziemaken over de macht op internet

De baas van het internet bestaat niet, want nergens geldt dezelfde wet. Onhandig als een server in land A staat en de hacker in land B. Is dat op te lossen?

Zomer! Tijd voor wat frivole vragen, nu je even vanachter je blauwe scherm de zon bent ingestapt. Vandaag: wie is er de baas op internet? Niemand, droomden we twintig jaar terug nog. Internet: dat is grenzenloos, wetteloos, anarchistisch! Het zou helemaal voorbij zijn met de natiestaat. Niet overheden zouden er de dienst uitmaken, maar vrije individuen.

Komt niks van terecht, natuurlijk. Landen proberen als een gek de macht terug te eisen die ze op het rommelige web hebben verloren. Maar dat is nogal lastig als de server in land A staat, de gebruiker in land B zit, de cloud in land C en de crimineel in land D. Welke wet geldt? Het levert bizarre situaties op. Een rijtje:

De VS die net nog vijf Chinese militairen, in China, hebben aangeklaagd voor hacken (= halve oorlogsverklaring).

Google dat dankzij een chagrijnige Spanjaard alleen in Europa het ‘recht om vergeten te worden’ moet aanbieden.

De NSA die buitenlandse burgers bespioneert omdat dat het van de Amerikaanse grondwet mag.

Van eigen bodem: minister Opstelten die de politie wil toestaan terug te hacken, ook als de computers in het buitenland staan.

Nu zijn grensoverschrijdende juridische puzzels niet nieuw, maar er komen er opeens wel heel veel bij. Het is een bende.

Ik bespreek oplossingen met Joel Reidenberg, hoogleraar recht aan de Fordham University in New York. Hij lepelt een kopje soep leeg met z’n benen bungelend boven de gracht. Hij heeft net gesproken op de Information Influx-conferentie van het Instituut voor Informatierecht van de UvA. Hoe kunnen we zorgen dat internet die gave, wereldwijde vrijhaven blijft?

Reidenberg is pessimistisch. Hij ziet vooral heel veel ruzies. Zoals tussen China en de VS, die diep van mening verschillen over wat copyrights zijn, hoe patenten beschermd moeten worden, wat censuur is en of onbeperkte vrijheid van meningsuiting wel zo nodig is.

Ik opper ook wat. Doe alles lokaal! Lokale dataopslag, lokale mailservers. Dan valt alles onder je eigen wetten, onbereikbaar voor de NSA en consorten. Niet haalbaar, zegt Reidenberg. „Landen zijn economisch meer verweven dan ooit.”

Laat burgers en bedrijven diensten inkopen van bedrijven uit landen met de beste wetten voor privacy! Waren Brazilië en Duitsland niet woedend op de NSA? Duitse mail! Braziliaanse clouds!

„Oh, dus jij wilt privacy voor de rijken? En de armen kunnen het vergeten?”

Laat ons zelf het heft in eigen handen nemen! Laat hackers maar zwaar versleutelde mailservers, datawolken en darknets bouwen die zich onttrekken aan vervelende wetten van bekrompen landen. „En dat vind jij democratisch? En wie legt dan verantwoording af aan wie?”

Je kunt een hoop gedoe voorkomen door de technologie van internet te veranderen, vindt Reidenberg. Als je bijvoorbeeld anoniem surfen en versleutelde mail de norm maakt, dan heb je minder gezeur over afluisteren. Maar uiteindelijk moeten landen het met elkaar eens worden over wat op internet mag en wat niet. Er is een groot, allesomvattend, internetverdrag nodig, waar iedereen aan meedoet. Reidenberg ziet het als enige oplossing. Die nog heel, heel ver weg is.

Wat ons tot die tijd rest? Zijn zonnige boodschap: „Heel veel ruzie.”