Pessimisme heeft Israël verslagen

Hoe kon ‘hoop’ in Israël een vies woord worden, in giftigheid alleen overtroffen door het woordje ‘vrede’, vraagt David Grossman.

foto's thinkstock

Vandaag lijken de meeste Israëliërs en Palestijnen gevangen in een sombere en uitzichtloze mentaliteit, een dof coma, een verdoving die we zelf hebben gezocht.

Vandaag, na zoveel ontgoochelingen, is de hoop in Israël altijd aarzelend, een beetje schuchter, verontschuldigend.

De wanhoop daarentegen is kordaat en zelfverzekerd, alsof zij in naam van een natuurwet spreekt, een axioma dat stelt dat er nooit vrede zal zijn tussen deze volkeren, dat zij vechten omdat God het wil en dat het hier altijd ellende zal zijn, niets dan ellende. De wanhoop zegt dat wie blijft hopen, wie in de mogelijkheid van vrede blijft geloven, in het beste geval naïef is of een misleide dromer, en in het ergste geval een verrader die het bestaan van Israël bedreigt door het met valse visioenen te verleiden.

In dat opzicht heeft rechts in Israël gewonnen. Rechts heeft de meeste Israëliërs met zijn wanhoop besmet. Het heeft niet alleen links verslagen, maar ook Israël zelf. En niet alleen omdat zijn pessimistisch wereldbeeld Israël verlamt, daar waar durf, soepelheid en creativiteit zijn geboden. Rechts heeft Israël verslagen door wat ooit de ‘Israëlische geest’ kon worden genoemd te verpletteren: de vonk, het vermogen om onszelf opnieuw uit te vinden, de mentaliteit van ‘ondanks alles’, de moed. En de hoop.

Leiders en de meeste burgers sluiten zich af van de realiteit. Dat doen ze al jaren: de 47 jaar van de bezetting. Maar in hun binnenste is er een leegte. Een leegte van handelen, een leegte van bewustzijn, een leegte die het morele oordeel onderdrukt, een onvermogen om het onrecht te zien dat aan de basis ligt van heel de situatie.

De Amerikaanse schrijver David Foster Wallace vertelde ooit een verhaal over twee jonge vissen die vrolijk in de zee zwemmen en een oudere vis ontmoeten.

„Hallo jongens”, zegt de oude vis. Hoe gaat het ermee?”

„Geweldig!” zeggen de twee vissen.

„Hoe is het water?”

„Het water is fantastisch.”

Ze nemen afscheid van de oude vis en zwemmen verder.

Even later draait de een zich naar de ander en vraagt: „Wat is water?”

Luister naar het water waarin wij de afgelopen 47 jaar hebben gezwommen. Dat we zo gewoon zijn dat we het niet langer voelen. Dat water is het leven dat hier stroomt. Het bruist nog altijd van de vitaliteit, maar het is ook een beetje gek geworden, chaotisch, rommelig en manisch-depressief, met nu eens een enorm gevoel van kracht en dan weer een kolossale zwakte.

Het gevoel om te leven in een zelfgenoegzame democratie die beweert liberaal en humanistisch te zijn, maar die al tientallen jaren lang een ander volk bezet, vernedert en verplettert. Een leven in een oorverdovend mediageraas dat vaak bedoeld is om af te leiden en af te stompen. Hoe zou je dit kunnen verdragen zonder verstrooiing en zelfmedicatie? Hoe kun je anders de resultaten van het zogenaamde ‘kolonisatieproject’ onder ogen zien? Hoe kun je de volle betekenis van deze waanzinnige gok met de toekomst van het land begrijpen?

Luister naar het water. Onder de troebele wateren waarin wij de afgelopen 47 jaar hebben gezwommen, vloeit een diepe, kille stroom, een stroom van vrees voor een enorme vergissing, een monumentale verkeerde keuze, een dwaalspoor. Die stroom krijgt meer en meer vorm als een staat van twee naties, of een apartheidsstaat, of een staat van al zijn soldaten, of een staat van al zijn rabbijnen, al zijn kolonisten, al zijn messiassen.

En misschien is de wanhoop die ons in haar greep houdt ook deels de wanhoop van de verdoemden die nu begrijpen dat zij niet kunnen ontkomen aan de bestraffing van hun daden, of van wat zij hebben laten gebeuren met hun steun of hun stilte of hun apathie. Waarom dan niet eten en drinken en pret maken terwijl het nog kan?

In deze wanhoop van Israël zit ook een merkwaardig verlangen vervat: naar een ramp, of ten minste naar een ontgoocheling, een soort kwaadaardig plezier wanneer anderen hun hoop in rook zien opgaan. Het is een bijzonder pervers plezier, want in feite verkneukelen wij ons om ons eigen ongeluk.

Soms lijden de Israëliërs ogenschijnlijk nog altijd onder de teleurstelling na 1993 en de akkoorden van Oslo, toen wij niet alleen geloofden dat de vijand een partner was geworden, maar ook dat alles weer goed kon komen, dat alles hier goed zou zijn. Alsof wij in de verleiding waren gebracht om iets te geloven dat al te zeer indruiste tegen onze levenservaring, onze tragische geschiedenis. Alsof wij verraad pleegden tegenover onszelf, tegenover ons lot – en daar een hoge prijs voor betaalden en blijven betalen, keer op keer.

Maar jullie zullen ons er niet meer op betrappen dat we nog in iets geloven, in een belofte, in een kans.

Zelfs als Mahmoud Abbas al het mogelijke doet om terreur tegen Israëliërs te voorkomen, zelfs als hij het besef verwoordt dat hij alleen als toerist naar Safed, zijn geboorteplaats, zal terugkeren, zelfs als hij verklaart dat de Holocaust de ergste misdaad in de geschiedenis van de mensheid is, zelfs als hij dat allemaal doet, dan nog zal premier Netanyahu zich haasten om hem een koude douche te geven.

Zelfs als de landen van de Arabische Liga Israël een initiatief voorstellen dat een vredesproces zou kunnen starten, met een expliciete uitnodiging tot een nieuwe dialoog zoals we die nog nooit hebben gezien en die we jarenlang hebben verlangd, dan nog zal de Israëlische regering dat jarenlang negeren. Want niemand zal ons nog foppen. Wij zijn geen sukkels. Nooit zullen wij nog een Palestijn of om het even welke Arabier geloven. En evenmin een lange, grijze Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken die niet begrijpt hoe de wereld echt werkt. Wij zullen niet meer geloven in de hoop op een beter leven. Of gewoon op het leven.

Het is interessant: één enkele keer, in 1993, hebben we echt geprobeerd met de Palestijnen de weg van de vrede te bewandelen. Dat is mislukt en sindsdien lijkt het alsof Israël dat pad voorgoed heeft afgesloten. Ook hier is de perverse logica van de wanhoop aan het werk: we hebben de weg van de oorlog gevolgd, van de bezetting, de terreur en de haat, we hebben dat tientallen keren gedaan zonder het ooit moe te worden of op te geven. Waarom dan die haast om voorgoed afscheid te nemen van de vrede, na één enkele mislukking?

Israël heeft natuurlijk veel redenen om bang en bezorgd te zijn. Het Midden-Oosten staat in vuur en vlam, fanatici en fundamentalisten maken het onveilig. De meeste Arabieren staan nog altijd vijandig tegenover Israël. Maar om tegenover deze gevaren en dreigingen een beleid van wanhoop en moedeloosheid te voeren, dat is de verkeerde weg.

De regeringen van Israël gedragen zich als de gevangenen van de wanhoop, als haar machteloze slachtoffers. Hebben we ooit een echte boodschap van hoop van Benjamin Netanyahu gehoord? Hoe is het mogelijk dat ‘hoop’ een vies, beschuldigend woord is geworden, in giftigheid alleen overtroffen door het woordje ‘vrede’?

Kijk naar ons: de sterkste natie ter wereld, een regionale supermacht. De Verenigde Staten steunen ons op een haast onvoorstelbare schaal, Duitsland, Engeland en Frankrijk staan achter ons. Toch zien wij ons, diep in ons binnenste, als een machteloos slachtoffer.

Dat wereldbeeld dwingt het joodse publiek van Israël in zijn meest kwetsbare en gekwetste positie als volk. De essentie zelf van de Israëlische identiteit – met haar blik op de toekomst, haar energie en haar vatbaar zijn voor belofte – is de afgelopen jaren voortdurend verzwakt en wordt weer opgezogen in de kanalen van trauma, pijn en herinnering van de joodse geschiedenis.

Zelfs nu, anno 2014, voel je bij heel veel ‘nieuwe’ Israëliërs angst voor het lot van het joodse volk, dat gevoel van vervolging, van slachtofferschap, van existentiële vervreemding van de joden tussen alle andere volkeren.

Welke hoop kan er nog zijn als de toestand zo vreselijk is? De hoop van ‘ondanks alles’. Een hoop die niet blind is voor de vele gevaren en obstakels, maar die weigert om alleen dat te zien.

Een hoop dat, als de vlammen onder het conflict verflauwen, de gezonde en zinnige eigenschappen van de twee volkeren beetje bij beetje zullen bovenkomen. De helende kracht van het dagelijkse, van de levenswijsheid en de wijsheid van het compromis, zullen hun werk doen. Existentiële veiligheid. Je kinderen kunnen opvoeden zonder angst, zonder de vernedering van de bezetting of de schrik voor het terrorisme. De elementaire menselijke verlangens naar een gezin, een baan, studie. Het weefsel van het leven.

Als er een klimaat van vrede komt, dan zal het kamp van de hoop en de nabijheid en het optimisme ontwaken. Dan zullen meer mensen beseffen dat zij, los van elke ideologie, praktisch belang hebben bij hechtere banden met het andere volk. Misschien zal er dan na enkele jaren genegenheid en misschien zelfs vriendschap groeien tussen de volkeren en de mensen. Het zou niet de eerste keer zijn dat zoiets gebeurt. Maar in afwachting moeten we tevreden zijn met alle prozaïsche situaties waarin Israëliërs en Palestijnen gewoon als mensen kunnen samenleven.

Wij kunnen ons de luxe en de weelde van de wanhoop niet veroorloven. De toestand is te wanhopig om hem over te laten aan de wanhopigen, want de wanhoop aanvaarden, is toegeven dat wij verslagen zijn. Niet op het slagveld maar als mensen. Iets diep in ons, vitaal voor ons als mensen, is ons ontnomen toen wij de wanhoop lieten betijen.

Wij houden vast aan de hoop. Een hoop die niet naïef is maar ook niet opgeeft. Een hoop die ons – Israëliërs en Palestijnen – onze enige kans biedt om de aantrekkingskracht van de wanhoop te weerstaan.