Pap, zet je nou eens over dat Duitse trauma heen

Het is volkomen normaal om voor Duitsers te juichen. Toch? Twintig jaar geleden was dat heel anders.Een generatieconflict in een fictieve dialoog tussen een vader en een dochter.

Hij: Ik hoop toch wel dat Messi iets moois laat zien zondag.

Ik: Eh, ik ben voor Duitsland hoor.

Hij: Voor Duitsland?!

Ik: Ja, ze spelen prima voetbal én het zijn onze buren. Voor mij nog belangrijker: Duitsland is een fantastisch land. Want zo kies je een favoriet, toch?

Hij: Misschien gek, maar ik moet hier toch even van slikken, weet je dat? Als een wedstrijd met mager resultaatvoetbal wordt gewonnen noemen we dat ‘op z’n Duits’. Duitsers ‘zwijnen’, en dat betekent dat ze altijd geluk hebben. Heb je die krantenkop niet gezien vorige week na die 1-0 tegen Frankrijk, waardeloos gespeeld, toch gewonnen: ‘Zo kennen we de Duitsers weer.’

Ik: Ik begreep die kop helemaal niet. Ik ken de Duitsers heel anders. Zag je hoe ingetogen de spelers juichten toen ze die zeven doelpunten maakten? Ze voelden aan hoe pijnlijk het was voor Brazilië. En heb je hún krantenkoppen gezien? ‘Sorry, zo hadden we het niet bedoeld.’ Bescheiden, leuke mensen. Zoals ik ze ook ken als ik in Berlijn of Hamburg ben.

Hij: Toen ik 27 was ging je naar Parijs. Londen, ook gaaf. Italië als je meer tijd had. Maar Duitsland? Duitsland was saai, degelijk, en laten we eerlijk zijn: Duitsland was gewoon fout.

Ik: Zo heb ik ook een tijd gedacht. Weet je hoe dat komt? Door jullie! Jullie noemden ze ‘moffen’, maakten grapjes over fietsen die eindelijk eens terug moesten komen en wat waren de eerste woordjes Duits die jullie ons leerden? ‘Wir haben es nicht gewusst.’

Maar in de loop der jaren hebben wij jullie vooroordelen van ons afgeschud. Ondanks jullie afkeer gingen we naar Duitsland, naar Berlijn, Keulen, Hamburg en Leipzig, en we zagen met eigen ogen wie de Duitsers van nu zijn.

Het is tijd dat jullie je er eens overheen zetten. Je bent van 1962, je hebt de oorlog niet eens meegemaakt.

Hij: Toen woedde de oorlog nog volop hoor. Aan tafel vertelde mijn moeder regelmatig over opa die persoonsbewijzen vervalste, over ooms die in het verzet zaten… en bij die ooms gingen we zondags gewoon op de koffie. Ik las Engelandvaarders en die twee andere trilogieën van K. Norel, over jongens als Evert en Jan die onvermoeibaar tegen die vuile moffen vochten. Elke zondag naar de matinee: ontelbare oorlogsfilms. Het standaardwerk van Loe de Jong verscheen en kwam deel voor deel bij elk gezin in de boekenkast – twaalf delen, verdeeld over 26 boeken. In 1974 was de oorlog pas dertig jaar geleden. Dat is zo dichtbij als de jaren tachtig zijn van de tijd waarin we nu leven.

Ik: 1974?

Hij: 1974. Ik was twaalf. Nederland speelde het beste voetbal van de wereld. Ajax had net drie jaar achter elkaar de Europa Cup gewonnen, Feyenoord één keer. Op het WK versloegen we Argentinië met 4-0. Brazilië met 2-0. In de finale tegen Duitsland stonden we al binnen twee minuten met 1-0 voor...

Ik: Gaat dit over voetbal? Maak je punt.

Hij: …en toen versierde Hölzenbein een strafschop, maakte Muller de 2-1 en zei Herman Kuiphof de later zo vaak herhaalde woorden: „Zijn we er toch ingetuind.”

Ik: Herman wie? Laat maar. Waarom vertel je dit nou eigenlijk?

Hij: Om je te laten voelen hoe het voelde. Eerst de oorlog en nu deden ze ons dit ook nog aan. Het was zo oneerlijk. Je voelde je zo machteloos. Altijd weer die Duitsers. Als een Duitse toerist de weg vroeg, kon je hem de verkeerde kant opsturen, maar wat kon je verder?

Ik: Nu niet over Koot en Bie beginnen.

Hij: Wo ist der Bahnhof? Do ist der Bahnhof! Een Duitser vraagt de weg, Koot stuurt hem de verkeerde kant op en komt opgewonden bij Bie melden dat hij het land een grote, nee heldhaftige dienst heeft bewezen. Klassiek!

Wij hadden het mooiste voetbal, wij leefden vrij, wij waren hippies, Nederland was een voorbeeld voor de wereld – maar saai Duitsland won. Duitsland, dat land waar je op de autobaan na het inhalen vlug weer naar rechts moest uitwijken omdat er anders zo’n Mercedes met knipperende lichten kwam bumperkleven. Duitsland, waarvandaan ze naar hier kwamen om op onze stranden kuilen te graven. En ze spraken je gewoon aan in het Duits, geen Engels. Alsof de bezetting nog niet voorbij was.

Ik: ‘Alsof de bezetting nog niet voorbij was’? Maak je een grap? Tegenwoordig spreken Duitsers prima Engels. Merkels accent is niet erger dan dat van Rutte.

En weet je, Nederland is niet meer zo leuk als toen. Twee politieke moorden, op Pim Fortuyn in 2002 en op Theo van Gogh in 2004, hebben een einde gemaakt aan ons land als toonbeeld van vrijheid en tolerantie. Het was het begin van een diepe onvrede die nu nog steeds heerst. We hebben een obsessie gekregen voor regeltjes en veiligheid. We worden steeds bekrompener. Tien jaar geleden spraken we nog laatdunkend over het Amerika ‘waar de angst regeert’. Maar in Nederland is het nu precies zo.

Duitsland is juist gaan ontspannen. De last van de oorlog weegt minder zwaar. Tegelijkertijd is de Duitser zich nog wel heel bewust van het verleden. We moeten de DDR en de ineenstorting daarvan trouwens niet vergeten, dat heeft ook wat met onze buren gedaan. Dit jaar is het pas 25 jaar geleden dat de Berlijnse Muur viel. Oost- en West-Duitsers zijn elkaar nog steeds aan het aftasten.

‘Zonder Hitler zijn we maar saai’, schreef Alan Posener, een joodse journalist, geboren in Engeland, opgegroeid in Duitsland, in Die Welt. ‘Als we Hitler niet hadden gehad, waren we een wereldmacht, maar verder een heel normaal volk zonder nationale angsten.’ Juist door hun geschiedenis zijn Duitsers leuk. Ze zijn voorzichtiger met oordelen en tolerant. Je kunt ze niet meer haten – Duitsland is een groter en beter Nederland.

Hij (praat gewoon door): In 1988 hebben we wraak genomen, halve finale Europees kampioenschap, Van Basten vlak voor tijd 2-1. Ronald Koeman veegde na afloop met het shirtje van Olaf Thon zijn kont af en De Telegraaf vatte de stemming in het land precies samen met de kop: ‘Eindelijk wraak’. Het was een tweede Bevrijdingsdag. Op het Leidseplein riepen de mensen ‘En nu nog mijn fiets terug!’

Ik: Heeft Ronald Koeman ook gevoetbald? Die dikke trainer? Geintje. De Duitsers die fietsen vorderden in de Tweede Wereldoorlog waren toch heel andere dan die in 1988 voetbalden. En nog weer heel andere dan nu. Ze hebben om precies te zijn niets met elkaar te maken, behalve dat ze in hetzelfde land wonen, toch?

Hij: Het zijn hun kinderen en kleinkinderen. En ik kan die kop van Schweinsteiger niet zien zonder er een helm op en een tank onder te denken. Sorry, dat neem ik terug, al is het wel zo. Maar weet je dat ook in 1993 dat anti-Duitse sentiment nog een keer enorm opspeelde? Er waren door brandstichting vijf leden van een Turkse familie omgekomen in Solingen en onder leiding van 3FM-dj Jeanne Kooijmans uitten Nederlanders hun verontwaardiging: 1,2 miljoen mensen stuurden een kaart naar bondskanselier Helmut Kohl met als tekst: ‘Ik ben woedend’. Een kaart, dus met postzegel en naar brievenbus lopen hè. Niet even liken op Facebook. 1,2 miljoen was verbijsterend veel. De media schreven er eindeloos over. Veel meer dan over de grote protesten in Duitsland zelf tegen die aanslag, die net zo massaal waren. In datzelfde jaar verscheen een Clingendaelonderzoek onder jongeren waaruit bleek dat 56 procent van de ondervraagden negatief over Duitsland dacht, tegen bijvoorbeeld 13 procent over Frankrijk en 17 procent over Spanje. 46 procent vond Duitsland zelfs ‘oorlogszuchtig’.

Ik: Zoals ik zei, dat lag aan jullie indoctrinatie. En oorlogszuchtig? Na de Tweede Wereldoorlog deden de Duitse legers decennialang amper iets. Ook na de hereniging was binnen de Bondsdag nog lang weerstand tegen inzet van militairen. Pas toen in het voorjaar van 1998 duidelijk werd dat het Servische leger de Albanese bevolking uit Kosovo wilde verdrijven, kwam daar verandering in.

Weet je waar de mensen pas oorlogszuchtig zijn? In Nederland. Toen Duitsland in 2003 weigerde om mee te werken aan de oorlog in Irak, stond Nederland zowat te trappelen om zichzelf te bewijzen als brave bondgenoot van Amerika. Die Duitsers zeiden het gewoon: als je wil dat we meedoen, moet er een reden zijn.

Duitsers kijken ook altijd kritisch naar zichzelf. Zie de prachtige en openhartige tv-serie Unsere Mütter, Unsere Väter. Precies over hoe gewone mensen door omstandigheden soldaten kunnen worden en vreselijke dingen doen. Der Untergang, Das Leben der Anderen, Auf der anderen Seite – de beste films over Duitse problemen maken de Duitsers zelf.

En jullie? Jullie blijven massaal hangen in Soldaat van Oranje. Terwijl historici de mythe van het fantastische Nederlandse verzet de afgelopen decennia al zo vaak onderuithaalden. Veel Nederlanders waren tijdens die oorlog helemaal geen lieverdjes. Geen Europees land nam zo bereidwillig deel aan de deportatie van Joden, en geen enkel Europees land buiten Duitsland zag zo weinig Joden terug.

Hij: Ehm...

Ik: De afgelopen decennia hebben jullie je woede op het Duitse elftal afgereageerd. Dat zij drie keer wonnen, in 1954, 1974, 1990, en wij nog nooit, was te veel na die oorlog, waartegen jullie achteraf in het verzet zijn gegaan. Ik begrijp het. Maar het is tijd om je daar overheen te zetten. Morgenavond schmink ik mijn wangen zwart-rood-geel. Jij?

Hij: Je hebt gelijk. Het is alleen even wennen.