Mijn werk deugt, maar mijn leven is niet echt gelukt

Filosoof Joep Dohmen (64) is hoogleraar wijsgerige ethiek aan de Universiteit voor Humanistiek. Levenskunst is zijn specialisme, maar na zijn pensionering verdwijnt dat vak van de universiteit. „Ik heb mijn verlies genomen.”

Tekst Birgit Kooijman Foto Andreas Terlaak

Pensioen

„Denk niet dat ik een levenskunstenaar ben. In november ga ik met pensioen en een vriend van me zei: ‘Jij woont zo mooi aan die Utrechtse gracht; het wordt tijd voor een lange jas, een hoed en een sigaar. En wandelen over de gracht.’ Maar dat ligt me helemaal niet. Ik kan heel slecht genieten, ik moet voort, voort. De filosofie is een ziekte, je bent nooit klaar.”

Nietzsche

„Mijn vader wilde dat ik advocaat zou worden, maar een studie rechten leek me niks, dat vond ik burgerlijk. Ik was – we spreken over midden jaren zestig – een kind van mijn tijd, een beetje anarchistisch en romantisch angehaucht. Toen ik erachter kwam dat er zoiets als filosofie bestaat, waarbij je als het ware een stapje opzij zet om naar de wereld te kijken, was dat precies wat ik wilde. Tegen de zin van mijn vader ben ik filosofie gaan studeren. Tot mijn grote frustratie snapte ik er niks van. Leibniz, Hegel, het was me allemaal veel te abstract. Toch moest en zou ik doorgaan, ik wilde mijn nederlaag niet erkennen. Met vijfjes en zesjes kwam ik moeizaam de eerste jaren door. En toen ontdekte ik Nietzsche. ‘Wij hebben ons tegenover onszelf voor ons bestaan te verantwoorden’, zegt hij. ‘Daarom willen wij ook de werkelijke stuurman van dit bestaan zijn en niet dulden dat onze existentie op een gedachteloze toevalligheid gaat lijken.’ Ik besefte dat ik mezelf en mijn eigen bestaan mee kon vormgeven. Opeens kreeg ik weer moed. Niet alleen in de filosofie, ook in het leven zelf.”

Stalag 23

„Het werd een langdurige innerlijke zoektocht, met veel omwegen. Ik heb lang gedacht dat wilskracht de motor was om dingen te bereiken, terwijl het veel belangrijker is om je te identificeren met een bepaald verlangen. Wat je doet, moet passen bij jou als persoon. Daarvoor is zelfonderzoek nodig. Mijn vader zei altijd: ‘Als je iets wilt, dan kun je het’. Hij was een power-man, een Draufgänger. Hij hield zich in de zwaarste omstandigheden staande. Bij zijn geboorte in 1910 werd hij door zijn moeder afgestaan aan de katholieke kerk. Hij groeide op in een Berlijns Karmelitessen-klooster. Met twaalf jaar kwam hij terecht bij een boer die hem uitbuitte als slaaf; later ontfermde een dorpsonderwijzer zich over hem. In de jaren dertig sloot hij zich aan bij het Duitse verzet tegen de nazi’s. Hij werd gearresteerd, en zat van 1938 tot het einde van de oorlog in een concentratiekamp, Stalag 23 bij München.”

Verscheurd wezen

„Ook mijn moeder is opgegroeid in een klooster. Zij werd als peuter bij haar ouders weggehaald omdat die niet deugden. Door het harde nonnenregime is ze altijd een angstig vogeltje gebleven. Ik ben liefdevol opgegroeid, maar door die twee uitersten in de opvoeding, aan de ene kant mijn vader die me opzweepte om prestaties te leveren en aan de andere kant mijn moeder die overal gevaren zag, ben ik een verscheurd wezen geworden. Naar voren rennen, en, geschrokken van mijn dadendrang, gauw weer achteruit. Op zeker moment deed ik drie studies en had ik drie vriendinnen tegelijk, en dat werkte natuurlijk niet. Ik had wel bluf maar geen zelfvertrouwen, geen focus, geen geduld. Kortom, het was voor mij verre van vanzelfsprekend om te weten hoe je moet leven. Daarom waren die levensfilosofen – Nietzsche, maar ook bijvoorbeeld Montaigne en de existentialisten – voor mij zo’n openbaring. Ik ben me gaan verdiepen in bestaansethiek – levenskunst – omdat ik er zelf zo weinig van bakte. Filosofie is voor mij een sublimatie van mijn eigen onvermogen om te leven.”

Woede

„Ik had in therapie kunnen gaan, dat was misschien beter geweest. Tot ver na mijn veertigste heb ik me steeds weer aan dezelfde stenen gestoten. Te veel hooi op mijn vork nemen, dingen doen die ik eigenlijk niet wil. Vaak heb ik me laten meeslepen door woede over bedrog en onrecht, zodat ik mensen beledigde en volkomen mijn doel miste. Nu kom ik toevallig uit de middenklasse, ik heb aardig geleerd om me verbaal te handhaven. Maar als ik in een andere sociale klasse was opgegroeid, had ik die ander gewoon overhoop gestoken, daar ben ik niet optimistisch over. Maar hoewel ik een trage leerling was, heb ik dankzij de filosofie veel bijgeleerd. Levensfilosofie biedt raad en troost. De Stoïcijnen zeggen: ‘Al voel je je nog zo miskend of gekwetst, niet woedend worden! Maak je uit de voeten, ga naar buiten, tel tot tien.’ Seneca zegt: ‘Pas op, als de woede eenmaal bezit van je heeft genomen, dan stort alles in elkaar als bij een aardbeving.’ Ik heb mezelf geoefend in zelfbeheersing, loop nu inderdaad weg, blaas stoom af bij een vriend. De laatste jaren ben ik veel kalmer geworden. Ik heb natuurlijk ook minder reden om boos te zijn, doordat ik meer erkenning heb gekregen.”

Zelfzorg

„Dat levenskunst op de Universiteit voor Humanistiek na mijn pensioen als vak verdwijnt, vind ik zeer teleurstellend. Het is iets waar ik woedend over ben geweest, maar de tegenkrachten zijn te groot en ik heb mijn verlies genomen. Door te blijven denken en schrijven – een aantal van mijn boeken wordt nu in het Duits en het Engels vertaald – heb ik toch het gevoel dat het doorgaat. Mijn pleidooi voor een levenshouding van ‘zelfzorg’, van actief jezelf leren kennen om het voor jou juiste pad te kunnen kiezen en samen met anderen zin te kunnen geven aan je leven, heeft gehoor gekregen. De tien boeken die ik schreef in de afgelopen tien jaar, hebben een groot lezerspubliek gevonden. Mijn studenten waarderen me. Ze hebben me in 2013 verkozen tot docent van het jaar. Kijk, hier hangt de oorkonde: ‘...vanwege alle onvergetelijke, leerzame en ontroerende momenten’ tijdens mijn colleges. Dat is voor mij de grootste erkenning.”

Beethoven

„Hoewel ik veel verstand heb van levenskunst, ben ik altijd een hoekige figuur gebleven. Ik heb mezelf een hoop ontzegd. Mijn dwangmatige ambitie heeft ervoor gezorgd dat ik twintig jaar lang niet naar muziek heb geluisterd. Ik heb mijn vrienden verwaarloosd. Mijn leven is dus niet echt gelukt, want het is geen geïntegreerd leven, geen organisch gebeuren waarin plaats is voor vriendschap, vrije tijd, zorg voor bepaalde mensen. Mijn geliefde heeft vaak moeten vechten om mijn aandacht. Te veel belangrijke dingen zijn ondergesneeuwd waardoor ik vaak ongelukkig ben. Als ik bij het wereldkampioenschap voetbal ‘Alle Menschen werden Brüder’ hoor, denk ik: ‘Muziek, dat ben ik helemaal kwijtgeraakt.’ Terwijl ik gek was op Beethoven en kon zwelgen in Wagner en Mahler. Muziek is intussen een dood kind. Hetzelfde geldt voor vriendschappen. Ze leven nog, die vrienden, maar of ze me nog herkennen als ik op de stoep sta, is de vraag. Ik heb heel goede filosofische teksten over vriendschap geschreven, maar ik kan er niks van.”

Leef onopvallend

„Als ik in de herfst 65 jaar word en niet meer hoef te werken, geeft me dat de kans om meer in het nu te verkeren, om te genieten, losser te worden. Ik zou meer in het verborgene willen gaan leven. ‘Lathe biosas’, zeiden de epicuristen. Leef onopvallend. Ik zou graag minder op het podium willen staan en de kunst van het verdwijnen willen beoefenen. Mijn fifteen minutes of fame heb ik al lang gehad. Maar ik sta niet helemaal voor mezelf in. Ik ben bang dat mijn vader, ook al is hij al lang dood, me toch weer dat podium op duwt.”