Mensen van wie je ongemak hebt

Toef Jaeger kiest vier vertaalde romans uit de midprice-uitgaven, voor op vakantie.

Wie wil lezen over ongemakkelijke mensen, en vooral mannen, heeft een ruime keuze op het ogenblik. De allerongemakkelijkste man is misschien wel Charles Bukowski, van wie een flinke stapel boeken weer verkrijgbaar is gemaakt. De beroemdste titel is het debuut: Postkantoor [1]– hij begon eraan op de dag dat hij als postbode was ontslagen, zo wil het verhaal.

Hoewel, waarschijnlijker is het dat hij zich éérst een stuk in de kraag heeft gezopen en toen pas is gaan schrijven. Want Postkantoor is autobiografisch, het verhaal van iemand die regelmaat in zijn leven tot elke prijs wil vermijden, en alcohol speelt in dat bestaan een grote rol, naast gokken en seks. En laat nu juist van een postbode toewijding worden gevraagd, veel meer dan Chinaski (zoals de hoofdpersoon heet) zich had gerealiseerd. Er bleek méér aan te pas te komen dan „brieven door gleuven schuiven en neuken”. En toen hij met dat eerste was opgehouden, bleef alleen het tweede over. Chinaski is een zielloze, ongeïnteresseerde etterbak die er zo’n negatief vrouwbeeld op nahoudt dat niemand het bij hem uithoudt. Volkomen autobiografisch, inderdaad. Bukowksi schreef het boek in een maand en zou de rest van zijn schrijfcarrière proberen het kunstje te herhalen.

Wat meer werk van zijn moeilijke leven maakt Karl Ove Knausgård: hij schrijft misschien wel bijna net zo snel als Bukowski want het ene dikke boek na het andere ziet het licht – zes pillen in twee jaar – maar er zijn nog meer overeenkomsten: ook Knausgård schrijft een autobiografie, laat zich weinig gelegen liggen aan zijn naasten, en ook hij drinkt. Van jongs af aan, en dat levert mooie passages op: tientallen bladzijden in Vader [2] gaan over de problematiek van hoe je drank op feestjes krijgt als je er eigenlijk te jong voor bent. Maar hij drinkt ook weer niet zoveel dat hij zich dingen niet meer herinnert. Minutieus, op het zeurderige af, beschrijft Knausgård zijn jeugd, de triestheid van de de feestdagen in het donkere noorden wordt zeldzaam fraai neergezet, met zoveel ruimte dat Gerard Reves De avonden een wonder van beknoptheid is. En ook deze man is dus een pestkop, wat al blijkt uit de titel van de boekenreeks: Mijn strijd – je moet maar durven. Maar de titel is op zichzelf juist: de kleine Karl gaat nooit met iemand de strijd aan. Wat er ook gebeurt, hoe verloren hij ook rondloopt na de scheiding van zijn ouders: hij zegt vrijwel niets, doet vrijwel niets, kropt het allemaal op, om zijn eigen strijd in zijn eigen hoofd te voeren. Het is voor de lezer een hele opgave duizenden pagina’s lang in dat ene hoofd te zitten, maar je kunt natuurlijk gewoon met één deel beginnen.

Al even zwijgzaam als Knausgårds personages, zijn de hoofdpersonen uit de verhalen in Stilte [3]– een verhalenbundel van de meest recente Nobelprijswinnaar Alice Munro. Ze laat zien dat je niet per se man hoeft te zijn om stug en zwijgzaam te zijn. En natuurlijk zijn ook moeizame relaties en persoonlijke ontwikkelingen onderwerpen die niet aan mannen zijn voorbehouden. Je zou niet verwachten dat je het nog moest constateren, maar in sommige recensies werd gesuggereerd dat Munro typisch ‘mannelijk’ zou schrijven, als je echter wil vergelijken moet je vaststellen dat Munro economischer dan Knausgård en mooier dan Bukoswki schrijft – wat in geen van beide gevallen op zichzelf een grote prestatie is. In Stilte schrijft Munro in kort tijdbestek een huwelijk de grond in. Dat doet ze bijvoorbeeld in het indrukwekkende openingsverhaal ‘Weg’. De vrouw, die eindelijk weg durft te lopen, is nog niet eens goed onderweg als de moed haar in de schoenen zinkt. Munro oordeelt niet en rondt niet af, maar het is moeilijk om aan de conclusie te ontsnappen: hoop is er alleen maar voor naïeve romantici.

Het gaat misschien wat ver om een Ghanese migrantenfamilie uit te maken voor naïeve romantici, maar ook in Ghana ga weg [4], het prachtige debuut van Taiye Selasi, wordt veel vergeefs gehoopt. Het boek is minder aan een plek gebonden dan Bukowksi aan Los Angeles of Knausgard aan Noorwegen, maar ondanks het kosmopolitisme, zijn het ook hier de meer persoonlijke overwegingen die de toon bepalen: seksuele intimidatie en de ontrouw van vaders is een van de grootste problemen van Afrika, en veroorzaakt meer ellende dan macro-economische verhoudingen. Centraal staat de dood van een chirurg, een man met veel nageslacht. Het moment van diens overlijden is voor zijn omgeving aanleiding om na te denken over wat er bereikt is in het leven. Selasi weet de grote en de ‘kleine’ problematiek knap te verweven. Iedereen die in de wereld iets wil betekenen, wordt het land uitgestuurd om te gaan studeren in het Westen. Maar de kinderen die te onrustig zijn voor hun moeder worden naar een foute oom in Nigeria gestuurd.

Uiteindelijk ben je machteloos tegenover de omstandigheden, lijkt de les voor Selasi’s personages, al wekt de auteur meestal de indruk dat leven voor haar niet zo’n heel groot probleem is. Maar zij is dan ook nooit postbode geweest.