Column

Daarom ben ik van mening veranderd

Vorig jaar zomer sprak ik met mezelf af: ik zou blijven zoeken naar mijn stondpunten. Want wie geen stondpunten heeft, denkt niet genoeg na. Het woord stondpunt is een leuke vondst van taalkundige Wim Daniëls voor een standpunt dat je hebt verlaten. Want een mens zonder stondpunten is een dogmaticus of houdt zichzelf voor de gek. Beide wil ik liever niet.

Dus nu, in mijn laatste column voor de zomer, vertel ik u waar ik fout zat. Ik heb twee stondpunten, beide veroorzaakt door het rapport Naar een lerende economie over de toekomst van de Nederlandse economie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, de WRR. Het eerste gaat over de maatstaf voor de omvang van onze economie, het bbp. Het tweede over industriebeleid.

Ik kreeg altijd enorme jeuk van mensen die het bbp (bruto binnenlands product) als maatstaf aanvielen. Het bbp meet alleen maar officiële economische activiteit, zo luidde de kritiek, maar zegt niets over welzijn en geluk. Je kunt het land volzetten met stinkfabrieken, dan gaat misschien het bbp omhoog maar niet ons welzijn. Moeten we niet naar een bredere maatstaf: bruto nationaal geluk?

Ik had niets met dit pleidooi. Want hoe meet je in vredesnaam geluk en welzijn? Ja, het bbp is een beperkte maatstaf en zegt niet per se iets over het welzijn in een land. Maar het is gewoon een nuttige maatstaf. Wat politici ermee doen, hoe ze hun beleid erop richten, is aan hen. Dat kan je de maatstaf niet verwijten.

Het WRR-rapport maakt echter duidelijk dat er veel verbeterd kan worden aan hoe we de omvang van de economie meten. Zo past het bbp slecht bij een moderne economie, want „aan veel elektronisch bezit kan geen goede prijs worden gekoppeld”. Wie een miljoen kopieën van een dure encyclopedie verkoopt, genereert honderden miljoenen euro’s voor het bbp. Als echter een miljoen gebruikers Wiki-pedia raadplegen, levert dat bijna niets op aan bbp. Wikipedia-lemma’s tikken is geen economische activiteit maar vrijetijdsbesteding. Toch gek.

Mijn tweede stondpunt betreft industriepolitiek, het stimuleren van bedrijvigheid door de overheid. Er zijn zo veel mislukkingen en tegelijk is er zo weinig succesvol beleid (dat er heus is, bijvoorbeeld in de VS) dat mijn conclusie was: niet aan beginnen, kans op mislukking te groot, zeker omdat industriepolitiek zo snel ten prooi valt aan lobbyisten uit grote bedrijven die die hulp totaal niet nodig hebben.

Maar na lezing van het WRR-rapport ben ik er toch anders over gaan denken. De overheid moet wel degelijk nadenken over het stimuleren van bedrijvigheid. Anders gebeurt dat toch wel, maar op de verkeerde manier. En dat is zonde want overheden die er slim over nadenken, kunnen ook echt wat bereiken.

Codewoord is hier wel: slim. Een blauwdruk voor geslaagde industriepolitiek is er niet. Wat in het ene land glorieus lukt, faalt in het andere totaal. En succesvolle industriepolitiek betekent nadrukkelijk niet: subsidie uitdelen, R&D stimuleren, exportbedrijven bevoordelen. Het betekent „intelligent verbinden van wat er al is”. Bijvoorbeeld door regionaal ontmoetingen tussen bedrijven uit verschillende sectoren te faciliteren. Dat zorgt voor dynamiek en innovatie. Geef de allerslimste universitair onderzoekers de opdracht te bedenken hoe we dit gaan doen. De Amerikanen, Britten, Duitsers en Australiërs doen het ook. Dat kunnen wij beter.

Tot zover mijn stondpunten van dit werkjaar. Ik blijf zoeken naar nieuwe. U ook?