...maar wat is integer dan precies?

De ‘indruk’ dat iemand ‘mogelijk’ niet integer is, weegt vaak zwaarder dan de harde feiten. „Een smetje is dan wel heel snel opgelopen.” Er is behoefte aan een eenduidige norm.

Commerciële bureaus die de integriteit van gemeentelijke bestuurders en ambtenaren in kaart brengen, bieden vaak schijnzekerheid. ‘Integer’ is niet objectief te definiëren. Bovendien dreigen gemeenten onder invloed van screening en ander onderzoek naar het verleden van wethouderskandidaten, door te schieten in integritis: een overdreven aandacht voor de persoonlijke handel en wandel van bestuurders.

Dat zeggen deskundigen en bestuurders die zich met integriteitsbevordering in het lokaal bestuur bezighouden. Zij pleiten voor een kwaliteitskeurmerk voor integriteitsonderzoek, dat wordt verricht door organisaties als Berenschot en Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten (BING). Het zou integriteitsbureaus dwingen hun opvattingen en werkwijze beter te verantwoorden. „‘Integriteit’ is een rubberen term”, zegt de Tilburgse hoogleraar bestuurskunde Stavros Zouridis. „Je kunt het naar believen uitrekken en oprekken.” Zouridis en collega’s namen vorig jaar vijftig recente onderzoeken naar de integriteit van publieke bestuurders onder de loep. Daarbij waren in veel gevallen bureaus als BING en Berenschot betrokken.

Alleen al van de term ‘belangenverstrengeling’ bleken vijf smaken in omloop, ontdekten ze. ‘Feitelijke belangenverstrengeling’, ‘functionele’, ‘de schijn van belangenverstrengeling’, ‘de schijn is niet vermeden, en ‘de schijn is niet koste wat het kost vermeden’. Zouridis: „Wanneer is het A, wanneer B? En wanneer heeft een bestuurder de schijn niet koste wat het kost weten te vermijden? Dat is een persoonlijk oordeel, geen eenduidig normenkader.”

Nog twee aspecten van integriteit: ‘distantie’ en ‘onafhankelijke oordeelsvorming’. „Tranentrekkend prachtig”, zegt Zouridis, „maar ik heb moeite er concreet gedrag bij voor te stellen.”

Integriteitsonderzoeken nemen toe. Maar elk bureau hanteert daarbij eigen werkwijzen, definities en gradaties van strengheid.

Neem de Brabantse gemeente Someren. Een ontwerpwedstrijd uit 2004 zorgt tien jaar later nog steeds voor ruzie. Twee bedrijven, Lantinga/Overwater en Bosgroep Zuid-Nederland, mochten van de gemeente de entree van een recreatiegebied maken. Groep Smeijers, die ook naar de opdracht dong, verloor. Was dit wel eerlijk? Wethouder Anja Thijs (CDA) zat in het bestuur van winnaar Bosgroep Zuid-Nederland. De Ombudscommissie Zuidoost-Brabant oordeelde daarom: schijn van belangenverstrengeling. Maar was wethouder Thijs nu wel of niet betrokken geweest bij de besluitvorming in de gunning. Nee, zei integriteitsbureau BING, dat was ingeschakeld voor een ‘finaal’ oordeel; ze had geen invloed gehad op het „eigenstandige” besluit van de gemeenteraad. Waarna Groep Smeijers hoogleraar beleidswetenschap Hans van den Heuvel erbij haalde, die oordeelde dat het college juist wél betrokken was bij het besluit. „Daarvoor ben je toch een college?” zegt Van den Heuvel. En Thijs zat in dat college. Kortom: „functionele belangenverstrengeling”. Groep Smeijers en BING zijn nu verwikkeld in een juridische procedure.

Meer eenduidigheid is wenselijk, zegt ook Ton Roerig, directeur van de wethoudersvereniging. Nog belangrijker: een minder verkrampte omgang met integriteit. Immers, als wethouders voortijdig vertrekken is het vaker door een politiek conflict dan een integriteitskwestie. Van de 105 wethouders die in 2012 aftraden na gedoe waren het er slechts negen. Toch is de aandacht voor integriteit groot. Roerig: „We schieten door. Steeds minder gaat het over feiten, steeds meer over indrukken. De indruk dat iemand ‘mogelijk’ niet integer is. Een smetje is dan wel heel snel opgelopen.”

Zie de toets die honderden wethouderskandidaten onlangs ondergingen. „De meeste bureaus kijken of iemand bekend is bij Bureau Krediet Registratie (BKR)”, zegt Roerig. „Soms gaat het om een lening. Maar kan een wethouder dan niet adequaat functioneren?” Zo’n BKR-vermelding staat een wethouderschap meestal niet in de weg. „Maar die informatie is dan wel bekend bij de burgemeester en raad. Bij het publiek soms. Dat maakt kandidaten kwetsbaar. Wie weet wat een toekomstige baas ermee doet.”

De Rotterdamse kandidaat-wethouder Ingeborg Hoogveld kreeg onlangs rood licht van de raad omdat haar partner, Marco Pastors, de stadsontwikkeling in Rotterdam-Zuid leidt. Als wethouder had ze hem moeten aansturen.

Bij deze kwestie was geen extern bureau betrokken. Toch vragen ook de bureaus naar familie. Drankgebruik of een strafrechtelijk verleden van een partner of broer – „Dat gaat ver”, zegt Roerig. Hij wil daarom de integriteitsscan vóórdat de namen van kandidaten bekend worden. „Nu zijn de kandidaten vaak bekend als een bureau ze gaat doorlichten. Als iemand zich dan terugtrekt wil iedereen weten waarom.”

Wethouders zijn onderling verdeeld over de waarde van integriteitsscans. Yvonne Kemmerling wethouder in Soest (D66) vindt het een goed middel om „integriteitsrisico’s” zoveel mogelijk uit te bannen. „Liever gedoe voorkomen dan tussentijds moeten aftreden.” De ‘schijn van belangenverstrengeling’ vindt zij daarom een goed criterium.

Voor Constans Pos, GroenLinks-wethouder in Rheden is het echter een „hopeloos begrip”. „Schijn is niet te definiëren. Wie daarvan wordt beschuldigd, wordt politiek monddood gemaakt”, zegt Pos. Mensen worden juist wethouder omdát ze actief zijn in de samenleving en mee-besturen; „dan ben je dus al gauw verdacht. Het „gesprek over integriteit” is het belangrijkst, zeggen Pos en collega-wethouder Kemmerling. Een extern bureau is overbodig. „Wethouders en raadsleden kunnen de normen zélf wel afspreken.”

Dat vindt Commissaris van de Koning in Overijssel Ank Bijleveld-Schouten (CDA) ook. „De gemeenteraad moet de wethouder vier jaar lang beoordelen.” Een goede start van de relatie tussen die twee is daarom van groot belang en moet je „bij voorkeur” niet aan commerciele bureaus overlaten, die „vooral bezig zijn met nieuwe markten zoeken”. Toch zijn de meningen onder de Commissarissen van de Koning verdeeld, zegt ze: „Die van de zuidelijke provincies waren heel expliciet in hun voorkeur voor een extern bureau.”

Bijleveld is voorstander van een „keurmerk” voor de bureaus. Daarin zouden ze hun opvattingen over integriteit, hun onderzoeksmethoden en omgang met informatie expliciet kunnen maken. Ook zouden er meer regels voor hun onafhankelijkheid moeten komen. Dezelfde bureaus die eerst een integriteitsprobleem vaststellen, bieden daarna vaak een – prijzig – cursustraject aan.

Minister Plasterk (Binnenlandse Zaken, PvdA) verkent nu de mogelijkheden van zo’n uniform keurmerk. Ook onderzoekt hij de komst van een ‘nationaal bureau integriteitsonderzoek’ – al heeft hij zelf geen voorkeur voor het optuigen van „zware, nieuwe organen”, schreef hij vorig najaar aan de Tweede Kamer. Naar verwachting rapporteert de minister hier na de zomer over.

Landelijk keurmerk of niet: directeur van de wethoudersvereniging Roerig vreest dat de „focus op integriteit” leidt tot minder animo voor het wethouderschap. „Die focus is zo groot, dat elk foutje, elk uitglijdertje, en zelfs maar de schijn daarvan, kan leiden tot je ondergang. Let op, ik zeg niet: laten we misstanden verbloemen. Maar een heksenjacht is het andere uiterste.”