Lentesneeuw

Hét boek van nu is Een weeffout in onze sterren van John Green – sinds deze week draait de verfilming, The Fault in Our Stars, in de bioscoop. Twee jongeren met kanker gaan in Amsterdam op bezoek bij hun idool.

De taxi voegde zich in het verkeer en we reden een snelweg op met een heleboel blauwe borden erboven vol dubbele klinkers: Oosthuizen, Haarlem. Langs de snelweg strekte zich kilometers ver het vlakke, lege land uit, hier en daar onderbroken door een enorm hoofdkantoor van een of ander bedrijf. Eigenlijk zag Holland eruit als Indianapolis, alleen met kleinere auto’s. ‘Is dit Amsterdam?’ vroeg ik aan de taxichauffeur.

‘Ja en nee,’ antwoordde hij. ‘Amsterdam is als de ringen van een boom: het wordt ouder naarmate je dichter bij het centrum komt.’

Het gebeurde zomaar ineens: we verlieten de snelweg en daar waren de griezelig naar de gracht overhellende rijen huizen zoals ik ze me had voorgesteld, de alomtegenwoordige fietsen en de coffeeshops die adverteerden met een grote rookkamer. We staken een gracht over en vanaf de brug zag ik tientallen woonboten in het water liggen. Het leek in geen enkel opzicht op Amerika. Het zag eruit als een oud schilderij maar dan echt – alles hartverscheurend idyllisch in het ochtendlicht – en ik bedacht hoe wonderbaarlijk vreemd het moest zijn om in een stad te wonen waarin bijna alles was gebouwd door de doden.

‘Zijn die huizen erg oud?’ vroeg mijn moeder.

‘Veel grachtenpanden dateren uit de zeventiende eeuw, de zogenaamde Gouden Eeuw,’ zei hij. ‘Onze stad heeft een rijke geschiedenis, ook al willen veel toeristen alleen de Wallen zien.’

Hij zweeg even. ‘Sommige toeristen denken dat Amsterdam een zondige stad is, maar in feite is het een vrije stad. En in de vrijheid vinden veel mensen de zonde.’

We reden drie haltes met de tram en ik leunde over Gus heen om samen naar buiten te kunnen kijken. Augustus wees omhoog naar de bomen. ‘Zie je dat?’

Ik zag het. Overal langs de grachten stonden iepen waar zaadjes uit waaiden. Maar ze zagen er niet uit als zaadjes. Het leken wel miniatuur rozenblaadjes waarvan de kleur was vervaagd.

De bleke bloemblaadjes verzamelden zich in de wind als een zwerm vogels – duizenden, als een sneeuwstorm in de lente.

De oude man die zijn plaats aan ons had afgestaan zag ons kijken en zei in het Engels: ‘Amsterdamse lentesneeuw. De iepen strooien confetti om de lente te verwelkomen.’

We stapten over op een andere tram en na nog eens vier haltes kwamen we aan in een straat die in tweeën werd gedeeld door een prachtige gracht, waarin de oude brug en de pittoreske grachtenhuizen zich rimpelend weerspiegelden.

Restaurant Oranje was vlak bij de tramhalte. Het restaurant lag aan de ene kant van de straat, het terrasje aan de andere kant, op een betonnen plateau pal naast de gracht. De ogen van de gastvrouw lichtten op toen Augustus en ik op haar af liepen.

‘Meneer en mevrouw Waters?’

‘Ja, toch?’ zei ik.

‘Uw tafel,’ zei ze met een gebaar naar de overkant van de straat en een smal tafeltje op tien centimeter van de gracht. ‘De champagne is van het huis.’

Gus en ik keken elkaar even lachend aan. Toen we waren overgestoken, trok hij een stoel voor me onder het tafeltje vandaan en hielp me aanschuiven. Er stonden inderdaad twee flûtes met champagne op het witte tafellaken. De lichte kilte in de lucht werd perfect in evenwicht gehouden door het zonnetje; aan de ene kant reden fietsers voorbij – goed geklede mannen en vrouwen op weg van werk naar huis, onwaarschijnlijk aantrekkelijke blonde meisjes die achterop zaten bij hun vriend, ukkies zonder helm die achter hun ouders in plastic zitjes op en neer stuiterden. Aan de andere kant was het water van de gracht, bezaaid met miljoenen van die confettizaadjes. Kleine bootjes lagen afgemeerd aan de stenen oevers, half gevuld met regenwater, sommige bijna gezonken. Wat verderop in de gracht zag ik woonboten op pontons drijven en in het midden van de gracht kwam langzaam een open platbodem aanvaren, uitgerust met tuinstoelen en een draagbare stereo. Augustus hief zijn champagneglas in mijn richting. Ik pakte het mijne op, al had ik, afgezien van een slokje bier van mijn vader, nog nooit alcohol gedronken.

‘Oké,’ zei hij. ‘Oké,’ zei ik en we klonken. Ik nam een slokje. De piepkleine bubbeltjes smolten in mijn mond en stegen naar mijn hoofd. Zoet. Knisperend. Zalig. ‘Dit is heerlijk,’ zei ik. ‘Ik heb nog nooit champagne gedronken.’

Een atletische jonge kelner met golvend blond haar kwam naar ons tafeltje. Hij was misschien nog wel langer dan Augustus. ‘Weet u,’ vroeg hij met een verrukkelijk accent, ‘wat Dom Pérignon zei toen hij de champagne had uitgevonden?’

‘Nee?’ zei ik.

‘Hij riep naar zijn medemonniken: “Kom snel; ik proef de sterren.”

Welkom in Amsterdam. Wilt u de menukaart zien of geeft u de voorkeur aan de keuze van de chef?’

Ik keek naar Augustus en hij naar mij. ‘De keuze van de chef klinkt heerlijk, maar Hazel is vegetariër.’ Dat had Augustus precies één keer gehoord, op de dag dat we elkaar hadden leren kennen.

‘Geen probleem,’ zei de kelner.

‘Geweldig. En kunnen we hier nog wat van krijgen?’ vroeg Gus met een blik op zijn glas.

‘Natuurlijk,’ zei onze kelner. ‘We hebben al onze sterren gebotteld voor vanavond, beste vrienden. Bah, die confetti!’ Hij veegde met een lichte beweging een zaadje van mijn schouder. ‘Het is al jaren niet meer zo erg geweest. Het is overal. Heel vervelend.’

De kelner verdween. We keken naar de confetti die uit de hemel viel, over straat wervelde in het briesje en in de gracht tuimelde.

‘Moeilijk te geloven dat iemand zich daaraan ergert,’ zei Augustus na een poosje.

‘Mensen raken altijd gewend aan mooie dingen.’

‘Aan jou ben ik anders nog steeds niet gewend,’ antwoordde hij glimlachend. Ik voelde dat ik bloosde. ‘Dankjewel dat je bent meegegaan naar Amsterdam,’ zei hij.

‘Dankjewel dat ik mag meeliften op jouw Wens,’ zei ik.

‘Dankjewel dat je die jurk hebt aangetrokken, die is echt geweldig,’ zei hij. Ik schudde mijn hoofd en probeerde niet naar hem te lachen. Ik wilde geen granaat zijn. Maar aan de andere kant, hij wist waar hij mee bezig was, toch? Het was ook zijn keus.