Kaviaar uit de tuin

De moestuin nodigt thuiskok Marjoleine de Vos uit tot idioot eenvoudig eten.

Laatst, terwijl ik zat te eten, zomeravond, buiten, uitzicht op het weiland, fluitende vogeltjes (vooral merels, een enkele kreunende houtduif), begreep ik Maarten ’t Hart. Ik begreep hem natuurlijk niet helemaal, hoe zou dat kunnen, en ook niet als moestuinier (daarover straks meer), maar gek genoeg, als eter. Nu is er niets vreemders voor iemand die van eten houdt dan Maarten ’t Hart te begrijpen in zijn gedaante van eter, want man, man, wat eet die vent saai. Gekookte groenten met een schep zure room. Dat is het wel, qua culinaire verfijning, als je tenminste zijn overigens verrukkelijke moestuinuitzendingen mag geloven. Maar ook in zijn columns, waarin ik laatst geregeld lachend zat te lezen, is hij niet direct een fijnproever. Eten is om gezond te blijven en geen honger te hebben. Niet per se om heel veel plezier in te hebben, niet als belangwekkende ondersteuning van gezelligheid en goede gesprekken. Spijtig hoor.

Eten vertegenwoordigt zoveel meer dan voeding. Daarom misschien ook dat al die superfoods zo weinig aan mij besteed zijn – pas als het buitengemeen lekker blijkt, quod non, ga ik chiazaad propageren. Tot die tijd ben ik met een nieuw aardappeltje zeer tevreden – eigenlijk een van de allerlekkerste dingen die er zijn. Helemaal als je het geluk hebt om zo’n goudklompje uit je eigen tuin te trekken.

Ho! Eerst even waarom ik Maarten ’t Hart begreep, als eter. Dat kwam enerzijds door de moestuin, of beter gezegd door een paar groenten uit de moestuin, en ook kwam het door Niven Kunz, over wie ik vorige week al schreef, de nog jonge eigenaar van restaurant Niven en de schrijver van een boek vol restaurantgerechten (Niven 80/20) waaruit een thuiskok toch veel kan leren. (Maar niet alles. Ik ga echt geen zwarte olijven frituren en ze dan in karamel rollen om ze bij de borrel te serveren. En ik ga ook geen soesjes van tot poeder gedroogde olijven maken.)

Enfin, ik had heel lekkere, ouderwets smakende tomaatjes (niet uit eigen tuin helaas, maar van een streekmarkt). En uit eigen tuin had ik wat peultjes en doperwtjes en kruiden. En door Niven was ik heel groenteachtig geïnspireerd. En dus at ik idioot eenvoudig, met fijngesneden knoflookui door de tomaatjes die met veel verse kruiden, olijfolie en een heel klein scheutje moscatelazijn waren aangemaakt. Daarbij de geblancheerde peultjes en erwtjes met geitenkaascrème (zachte geitenkaas met crème fraîche) en dat alles bij wat bulgur, voor vulling en granengevoel. Ik nam hapjes, keek naar mijn uitzicht en genoot, blij dat niemand me zag met mijn ’t Hart bordje. (Ik stel me vaak kritische lezers voor die denken, of zeggen: Oh eet u thuis zó? Met van die opgetrokken wenkbrauwen. Ze weten genoeg. Een bedriegster!) Zou een moestuin je minder kritisch maken?

‘Een moestuin’ klinkt trouwens veel weidser dan iemand zich dat moet voorstellen, mijn moestuin bestaat uit twee vakken van anderhalve meter breed en vijf meter lang. En apart staan dan nog wat erwtjes en peultjes. Toch houd ik het niet bij, eetsgewijs, want wat er in die moestuin groeit, groeit zo hard dat het al voos, doorgeschoten of verdord is voor ik er een hap van heb genomen. Eigenlijk vind ik oogsten een groter probleem dan zaaien.

Misschien is dat ook precies het punt.

Een goede tuinier heeft overvloed en gaat dus juist bijzondere dingen bedenken met al die groenten (behalve als hij Maarten ’t Hart is). Een ongeoefende als ik is zo blij met elk erwtje dat hij het eet alsof het een lepeltje kaviaar is. Met crème fraîche.