Het is de leeftijd

Haar laatste boek schreef Anna Enquist in een half jaar. Te snel eigenlijk, zegt ze bij garnalenkroketjes. „Schrijven leidt af van verdriet.”

Schrijfster Anna Enquist: „Ik wilde beschrijven hoe mensen op excessief geweld reageren en waar dat dan vandaan komt.”

Het kan Anna Enquist weinig schelen waar we gaan lunchen, als het maar in de buurt van de uitgeverij is, want daar moet ze ’s morgens zijn. Zo wordt het Café Luxembourg op het Spui in Amsterdam.

Tien minuten voor het afgesproken tijdstip zie ik haar voor de etalage van Athenaeum Boekhandel staan praten met Henk Spaan, de voetbaljournalist. Een grote grijze reus naast een frêle vrouw in een sluik vallend zomerjurkje. Het is tegen de dertig graden. Henk Hofland komt aanlopen, de hoogbejaarde columnist van NRC Handelsblad, en even later Adriaan van Dis, schrijver. Ze blijven ook staan om met haar te praten en ik hoop maar dat ze mij niet zal vergeten.

Ze lacht naar de mannen en maakt vrolijke gebaren, en ik denk aan de slotregels van haar gedicht Tamboer dat ik net gelezen heb. Woedend doe ik een greep / in de muziekdoos van het geheugen, waar / haar te vinden voor ik omval? Maar kijk // de trommelaar brengt ons het kleinkind, / verlokt ons tot een nieuw lied, zadelt ons op / met de laatste vreugde voor de eindstreep.

De dochter van Anna Enquist stierf in augustus 2001 na een ongeluk op de Dam. Ze fietste in de dode hoek van een vrachtwagen die afsloeg. Sindsdien verschijnen er in al haar werk moeders (en vaders) die om hun kinderen rouwen, ook in haar nieuwste roman, Kwartet, die net is verschenen. Daarin zijn het een huisarts en een vioolbouwer/altviolist die hun zoontjes hebben verloren door een busongeluk, na een schoolreisje.

Om half een precies neemt ze afscheid van de mannen, zwaait nog even naar ze en loopt mijn richting uit.

Het kan haar ook weinig schelen waar we gaan zitten, buiten of binnen, en zo wordt het een tafeltje tussen de bar en de opengeschoven ramen.

Ze laat de boeken zien die ze net gekocht heeft voor de vakantie. Engelse thrillers, een bundel verhalen van Richard Yates die ze nog niet kende – „tip van Henk Spaan” – en The Luminaries van de jonge Nieuw-Zeelandse schrijfster Eleanor Catton. „Ik heb The Rehearsal gelezen, haar debuut, en dat was zo goed, qua stijl dan, zo vernieuwend. Ik ben niet zo van de vernieuwingen, maar hoe zij dat doet, wat zij dúrft…”

Drie weken Pyreneeën, stil en afgelegen, samen met haar man, die cellist en cellobouwer is. Zo doen ze het al jaren.

Ze kijkt vluchtig op de menukaart, en ik vraag of ze normaal wel eet op dit tijdstip. „Nee”, zegt ze. „Ik eet nooit overdag.” Maar ze wil niet onbeleefd zijn en zo worden het garnalenkroketjes, op een witte boterham. Koken doet ze eigenlijk nooit, zegt ze. Ja, vroeger, toen de kinderen klein waren. Soep vindt ze nog steeds wel leuk om te maken. Of jam, in de vakantie. Al eet ze daar eigenlijk ook nooit veel van. Gezondheid, groente en zo, nee, daar let ze niet meer zo op.

Ik heb me voorgenomen om er geen droevig gesprek van te maken, maar halverwege mijn volgende vraag – wanneer ze dan gestopt is met koken – weet ik dat het gaat mislukken. „Dat was”, zegt ze, „toen onze dochter stierf.” Ze knijpt in haar handen, opmerkelijk gespierde handen voor zo’n dun iemand. Pianohanden.

Ze probeert de stemming erin te houden. „Ik hoor het ook wel van vriendinnen, hoor, dat ze ophouden met koken als de kinderen groot zijn. Al ken ik mensen die het blijven doen, die kunnen het echt.”

De huisarts in Kwartet kookt ook nooit, zeg ik, terwijl ik probeer op haar naam te komen. „Carolien”, zegt Anna Enquist. „Geeft niet, hoor.” Waarna ze vertelt over haar angst om vooral bij het dichten niet meer haar hele woordenschat tot haar beschikking te hebben. En ze moet zo veel dichten, want sinds februari is ze stadsdichter van Amsterdam. Gelukkig is er een hulpmiddel: Het juiste woord van dr. L. Brouwers en dr. F. Claes uit 1937, veelvuldig herzien en aangevuld. Toen ze net dichteres was zei Gerrit Kouwenaar tegen haar dat ze dat moest aanschaffen. Voor wie het niet meer weet: Kouwenaar is ook dichter.

„Wat vind je van een glaasje witte wijn erbij?”, vraagt ze als de garnalenkroketjes worden gebracht. Ik verontschuldig me, ik had het zelf moeten bedenken. „Geeft niet, hoor”, zegt ze. „Jij moet nog werken.”

Na de dood van haar dochter is ze wel weer piano gaan spelen. Ze was ermee gestopt in de jaren tachtig. Ze kon haar niveau niet vasthouden en dat vond ze zo erg dat ze het dan maar liever helemaal niet meer deed. Jonge kinderen, een volle baan aan het conservatorium – ze doceerde psychologie – en ze was in opleiding tot psychoanalytica. Op aanraden van de pianist Ivo Janssen, een vriend, begon ze eind 2001 met de Goldbergvariaties van Bach. „Die zijn zo moeilijk, zolang ik speelde kon ik nergens anders aan denken.” Ze schreef er een roman over, Contrapunt.

Nu studeert ze de toccata’s van Bach in, ook op aanraden van Ivo Janssen. „Het gaat heel langzaam, op mijn leeftijd, maar dat vind ik niet erg. Het interesseert me ook niet meer dat ik mijn oude niveau kwijt ben.”

Ze snijdt een stukje van haar brood af en schuift het heen en weer op haar bord. Ik zeg dat Kwartet over de teloorgang gaat van alles wat zij belangrijk vindt: klassieke muziek, cultuur, geestelijke gezondheidszorg… „Ja, ja”, zegt ze. „Dat is allemaal aan het verdwijnen. Maar ik ben niet verbitterd, hoor. Ik hou zelf plezier in schrijven en kwartetspelen, en ik vond het leuk om daar in dit boek iets mee te doen.” Ze doet ook nog psychoanalytische psychotherapieën en geeft daar les in.

Boos boek

Toch is het een boos boek, zeg ik. Ze begint aan een antwoord – „Je doet de muziekscholen dicht en dan ben je verbaasd…” – maar onderbreekt zichzelf en zegt: „Vind je het echt boos?” Ze is even stil. „Ik dacht: hoe moet ik de boodschap zo verwoorden dat die niet te zwaar wordt, dus ik laat die dingen zeggen door Reinier, die al bijna tachtig is en een beetje dementerend. Je hoeft hem niet serieus te nemen.”

Ik zeg dat ze van Reinier, ooit een beroemd cellist en de leraar van Carolien-de-huisarts toen die nog op het conservatorium zat, een zeer tragisch personage heeft gemaakt. Ze knikt. „Zo’n mooi leven en dan eindig je als een eenzame en hulpeloze man die niet weet hoe het verder met hem moet. Ik zie het ook wel in mijn vriendenkring. Zo gaat dat dus.” Ze heeft zijn wereld gemodelleerd naar die van haar eigen celloleraar op het conservatorium, René van Ast, die jong gestorven is. Cello was haar tweede instrument.

Toen ze Reinier eenmaal had bedacht, zegt ze, ging het schrijven van Kwartet vanzelf. Zeven dagen in de week, vijfhonderd woorden per dag, eerst met de hand, daarna op de computer – binnen een half jaar was het klaar. Liever had ze er langer over gedaan. „Schrijven leidt af van verdriet. Je bent de hele dag bezig met de karakters, de plot.”

Ze eet een paar happen terwijl ze nadenkt over mijn vraag waarom Kwartet zo gewelddadig eindigt: de leden van het strijkkwartet worden gegijzeld door een psychopaat, er ontploft een woonboot. „Ik wilde beschrijven hoe mensen op excessief geweld reageren en waar dat dan vandaan komt”, zegt ze. „Maar waarom ik dat dan wilde… Misschien door de dreiging die ik voel van hoe het er in de maatschappij aan toegaat. Het is de leeftijd, je telt steeds minder mee, maar ook: dat je wordt uitgelachen om wat je doet, wat je waardeert, de opinies die je hebt. Alles moet snel, alles moet meteen boeien, alles blijft aan de oppervlakte. Het idee dat je in de diepte kunt gaan en dat dat interessant is, is verdwenen.”

Ik werp tegen dat ze nog steeds psychiaters opleidt in de psychoanalyse. „Ja”, zegt ze. „Dat is zo.” Wat leert ze hen? „Hoe je dat wat bij iemand aan de oppervlakte zichtbaar is, kunt verbinden met zijn of haar geschiedenis. En wat er gebeurt tussen de analyticus en de geanalyseerde, de informatie die je daaruit krijgt.”

En als ze met een psychoanalytische blik naar de maatschappij kijkt, begrijpt ze dan waarom alles sneller en oppervlakkiger lijkt te worden? Ze legt haar mes en vork neer en denkt na. Ze heeft haar bord toch nog voor meer dan de helft leeggegeten. Ja, ze wil graag een cappuccino. „Heel kleine kinderen”, zegt ze dan, „hebben ook alleen maar belangstelling voor de oppervlakte. Geluiden, kleuren. Het is een regressieve beweging. Mensen kleden zich kinderlijk, ouderdom wordt verguisd, de jeugd wordt verheerlijkt. Maar waarom? Omdat we ons machteloos voelen? Bankiers, politici – ze doen maar en we kunnen er niets tegen beginnen. Machteloze mensen gaan zich vaak heel kinderlijk gedragen.”

Ze vindt het een onbevredigende verklaring. Ze gooit het over een andere boeg. „Misschien is het een gebrek aan hoop. Na de oorlog leefde het idee dat de maatschappij op een goeie manier opnieuw kon worden opgebouwd, dat alles beter zou worden, rechtvaardiger.”

En toch, zeg ik, zijn we nooit eerder zo welvarend geweest. „Maar we waarderen het niet.” Ziet ze bij de mensen die ze in analyse heeft andere problemen dan een generatie geleden? „Niet wezenlijk”, zegt ze. „Wel aan de oppervlakte: veel meer samengestelde gezinnen, hoe je je moet opstellen als stiefvader of stiefmoeder, welke gevoelens je mag hebben bij een stiefkind.”

Een mooi romanthema, dat vindt ze ook. Ze vertelt over Hila Blum, een Israëlische schrijfster die er, zegt ze, prachtig over geschreven heeft in haar debuut Het bezoek.

Zelf heeft ze nog geen nieuwe roman in gedachten. Ze verlangt er wel naar om over een poosje weer aan „een nieuw project” te beginnen. Voor het eerst in het gesprek lacht ze voluit. Ze denkt terug aan de De verdovers. „Dat boek werd me gewoon aangereikt. Zo heerlijk.” Ze was door het VUmc uitgenodigd om zo lang ze wilde mee te lopen op een afdeling naar keuze en schreef vervolgens een onconventionele doktersroman. Het werd een bestseller.

Al haar boeken worden bestsellers, ook als ze matige recensies krijgen. „Ja”, zegt ze. „Ik word uitgegeven en mijn werk wordt goed verkocht. Ik mag me gelukkig prijzen.”