Groepsdenken

‘Hoe konden we zo dom zijn?’ Veel bestuurders en toezichthouders van woningcorporaties zullen het zich nu afvragen. Niet publiekelijk misschien. Maar zeker binnens- en bovenskamers. Hetzelfde geldt voor de mensen die betrokken waren bij eerdere parlementaire enquêtes. Of bij het onderzoek naar ontspoorde ICT-projecten bij de overheid. Of bij het faillissement van zorgconcern Meavita, onder meer door het aanschaffen van 25.000 beeldtelefonie-kastjes waar niemand op zat te wachten. Of bij... Vul zelf maar in.

Het patroon is altijd hetzelfde. Er worden domme, soms verwerpelijke dingen gedaan. En iedereen staat erbij, kijkt ernaar en doet niets.

How could we have been so stupid? Zo luidt ook de openingsvraag van het klassieke artikel over ‘groupthink’ van psycholoog Irving Janis uit 1971. Volgens Janis’ bronnen is dit wat president John F. Kennedy hardop riep toen bleek dat zijn stiekeme invasie van Cuba uitliep op een fiasco.

Even een korte opfrisser: op 17 april 1961 landden 1.511 Cubaanse ballingen met steun van de CIA in de Varkensbaai. Het Witte Huis was ervan overtuigd dat het Cubaanse leger zwak was, dat hun luchtmacht niets voorstelde en dat niemand zou weten dat de VS de actie steunden. Na twee dagen bleken de ballingen echter ingesloten door 20.000 militairen, had de Cubaanse luchtmacht de Amerikaanse bevoorradingsschepen verjaagd en stond Kennedy te kijk.

Volgens Janis waren Kennedy en zijn adviseurs – net als vele andere beslissers voor en na hem – het slachtoffer geworden van groepsdenken. Groupthink is het zoeken naar bewijs voor het gelijk van de eigen groep, het vermijden van al te harde onderlinge kritiek, het negeren van geluiden van buiten en het daardoor niet overwegen van alternatieve zienswijzen.

Groupthink is wanneer slimme mensen domme dingen doen door de diepmenselijke neiging tot conformiteit. Wanneer op zichzelf verstandige toezichthouders hun mond houden als een corporatiedirecteur een Maserati kiest als dienstauto. Totdat medewerkers van buiten het groepje – weken later – durven te zeggen dat dit echt niet kan.

Janis geeft ook een flink aantal remedies. Ik noem de belangrijkste. Laat iedereen in een groep beslissers bij toerbeurt advocaat van de duivel spelen. Wees als leidinggevende allereerst een onpartijdige, kritische voorzitter van de groep. Richt als organisatie externe beleids- en evaluatiegroepen op met verschillende leiders. Laat alle groepsleden andere, kritische mensen in de organisatie raadplegen voor het nemen van belangrijke besluiten. Vraag externe experts om vergaderingen bij te wonen en aannames van de groep uit te dagen. Splits de groep regelmatig op in subgroepen voor discussies over hetzelfde onderwerp en vergelijk daarna de uitkomsten. Neem voorlopige besluiten en bespreek bij een ‘tweede kans’-meeting je twijfels. En ontwikkel alternatieve scenario’s voor als je tóch ongelijk hebt. Tijdrovend allemaal, geeft Janis zelf toe, maar puinruimen achteraf is vervelender.

Goed. Hoe konden we zo dom zijn? Als Janis gelijk heeft met z’n groupthink, dan hebben we iets van een antwoord. Echt bevredigend voelt dat natuurlijk niet. Het is veel lekkerder om te zeggen dat alle bestuurders en toezichthouders die de krant halen stuk voor stuk dom zijn. Of slecht. Graaiers zonder moreel kompas.

Als Janis gelijk heeft, dan zou ook ik onder de verkeerde omstandigheden de meest domme of foute besluiten kunnen goedkeuren. Geen fijne gedachte. Aan de andere kant: hoe kun je zo dom zijn om dit niet te geloven?