Gifplaag: eerst de bijen, nu de vogels

Waar vaak wordt gespoten met imidacloprid slinkt het aantal insectenetende vogels, constateren Nijmeegse onderzoekers. Een verbod van deze meest verkochte insecticide ter wereld komt dichterbij.

Met drie man sterk zitten ze op de werkkamer van Hans de Kroon, hoogleraar plantenecologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Ze hebben iets verontrustends ontdekt, zeggen ze. Er bestaat een verband tussen de afname van insectenetende vogels in Nederland en het gebruik van het omstreden insecticide imidacloprid. Het onderzoek is deze week gepubliceerd in het tijdschrift Nature.

De Kroon: „Ik bestudeer eigenlijk plantengemeenschappen. Van vogels weet ik an sich niet zo veel. Maar wel van populatietrends, en waardoor die worden beïnvloed. Daar gaat dit over. En wat we hebben gevonden is alarmerend.”

Naast hem zit promovendus Caspar Hallmann. „Ik schrok toen ik voor het eerst zag hoe sterk het verband is.”

En naast Hallmann zit Ruud Foppen van Sovon Vogelonderzoek Nederland, de organisatie die al decennialang nauwgezet de ontwikkeling van vogelpopulaties in Nederland in kaart brengt. „We beginnen niet meteen een kruistocht tegen dit insecticide. Maar het baart ons wel grote zorgen.”

Al sinds imidacloprid op de markt kwam, in 1991, zijn er zorgen over mogelijk schadelijke effecten op allerlei organismen in de natuur, met name de honingbij. Niet alleen van dit middel, maar van alle insecticiden die tot dezelfde klasse behoren, de neonicotinoïden. Ze worden (mede) verantwoordelijk gehouden voor de hoge sterfte onder honingbijvolken, die cruciaal zijn voor de bestuiving van landbouwgewassen als koolzaad, zonnebloem, aardbei, appel, meloen, amandel. Desondanks zijn boeren en tuinders deze middelen de afgelopen dertig jaar alleen maar meer gaan gebruiken in hun strijd tegen plaaginsecten. Imidacloprid is het meest verkochte insecticide ter wereld. Fabrikanten verdienen er miljarden aan. Maar natuurorganisaties willen dat het gebruik juist aan banden wordt gelegd. Naar aanleiding van het Nijmeegse onderzoek heeft de Vogelbescherming de politiek deze week opgeroepen per direct een verbod af te kondigen op alle gebruik van imidacloprid.

Er is al een verbod, in heel Europa, maar dat is slechts tijdelijk en geldt voor een beperkt aantal gewassen. Het is ingesteld nadat de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (de EFSA) vorig jaar had vastgesteld dat imidacloprid, en twee andere neonicotinoïden, „een hoog risico” vormen voor de honingbij. Daarop kondigde de Europese Commissie een moratorium af. Boeren mogen deze drie middelen niet gebruiken voor en tijdens de bloei van gewassen die aantrekkelijk zijn voor de honingbij. Het gaat om onder meer maïs, koolzaad, zonnebloem en erwt. Het moratorium is sinds begin dit jaar van kracht, en duurt twee jaar. Natuurorganisaties vinden dat veel te beperkt. Boeren en fabrikanten waarschuwen voor economische schade, door een gebrek aan alternatieven.

In deze arena van wetenschap, politiek, landbouw en economie treden nu de Nijmegenaren met hun onderzoek.

Vogelaar

Het begon driekwart jaar geleden, vertelt promovendus Caspar Hallmann, die zichzelf een „fervent vogelaar” noemt. Hij combineerde twee langjarige, fijnmazige datasets van Nederland. In de ene dataset, afkomstig van Sovon Vogelonderzoek Nederland, zitten allerlei gegevens over de ontwikkeling van vogelpopulaties door heel Nederland. De andere dataset geeft concentraties van allerlei bestrijdingsmiddelen in oppervlaktewateren – sloten, plassen, rivieren. Waterschappen meten die en verzamelen hun data in de Bestrijdingsmiddelenatlas, die wordt beheerd door wetenschappers van de Universiteit Leiden.

Hallmann selecteerde voor dit onderzoek de gegevens over imidacloprid, en over 15 insectenetende soorten, waaronder spreeuw, grote lijster, boerenzwaluw, bosrietzanger en gele kwikstaart. Hij legde de trends voor de periode 2003-2009 over elkaar. Daar waar de concentratie imidacloprid steeg, namen lokaal de vogelpopulaties af. De populaties daalden jaarlijks met gemiddeld 3,5 procent in gebieden waar de jaargemiddelde concentratie imidacloprid boven de 20 nanogram per liter lag (een nanogram is een miljardste gram). Met name in de bollenstreek, in de kassengebieden in het Westland en rond Venlo ligt de concentratie hoger. Hier wordt de norm van 67 nanogram imidacloprid per liter (voor langdurige blootstelling) al jaren overschreden. Het middel wordt in deze gebieden gebruikt bij de teelt van bijvoorbeeld rozen, lelies, gladiolen, tomaat en komkommer. Een deel ervan spoelt uit naar oppervlaktewater.

Ter controle keek Hallmann naar de ontwikkeling van de vogelpopulaties in de periode 1984-1995, dus vóórdat imidacloprid in Nederland op de markt kwam, in 1995. Want misschien waren de lokale trends al langer gaande, en was er een andere drijvende factor – de vogelstand neemt immers al sinds de jaren 60 af. Maar dat bleek niet het geval.

Ook onderzocht Hallmann acht andere trends, die wellicht de waargenomen vogeldalingen voor de periode 2003-2009 zouden kunnen verklaren. Is er misschien overlap met de gebieden waar nieuwe kassen zijn gebouwd? Is er een verband met de aanleg van nieuwe bollenvelden? Of met de uitbreiding van menselijke bebouwing? Hallmann gebruikte cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Geen van de acht trends bleek significant gecorreleerd met de lokale trends van de vogelpopulaties.

Is dit de doodsteek voor imidacloprid? Hoogleraar De Kroon houdt een slag om de arm. Het Nijmeegse onderzoek toont niet aan dat imidacloprid de oorzaak is van de vogeldalingen. „Dat is met de nu gebruikte data niet vast te stellen”, zegt hij. „Maar we zouden niet weten welke andere factor de vogeldalingen kan verklaren.”

Ruud Foppen van Sovon Vogelonderzoek Nederland vermoedt dat er sprake is van een indirect effect. De hoge concentraties imidacloprid in het water zorgen voor sterfte van waterafhankelijke insecten, zoals muggen en eendagsvliegen. Daardoor ontstaat voor vogels een voedseltekort. Het zou ook kunnen dat vogels het middel direct binnenkrijgen, als ze gewaszaden oppikken waar de fabrikant een coating met imidacloprid op heeft aangebracht. Zulke gecoate zaden worden steeds meer gebruikt. In Nederland gebeurt dat bij de teelt van onder meer sla, koolsoorten, uien, suikerbieten. De hoeveelheid gif op een zaadje varieert per gewas – op maïszaad zit het meeste. Enkele van deze zaden zijn voldoende om een vogel te doden.

Welke van de twee mechanismen zich voordoet, is erg lastig vast te stellen, zegt Foppen. Dan zou je vogels, en hun voedselbronnen, jarenlang op de voet moeten volgen. „Dat is bijna ondoenlijk”, zegt Foppen.

Laboratoria

Daarmee snijdt hij een centraal probleem aan: hoe stel je vast in hoeverre dieren worden blootgesteld aan neonicotinoïden? Al decennialang onderzoeken biologen en toxicologen de schadelijke effecten van deze insecticiden. Maar dat is hoofdzakelijk gebeurd in laboratoria. Wat zegt dat over de ‘echte’ wereld? Studies in het veld zijn relatief weinig gedaan. Daar heeft bijvoorbeeld de honingbij ook te kampen met opkomende parasieten zoals de varroamijt, en een tekort aan bloeiende planten. Er is klimaatverandering, krimpende natuur. Landbouwpraktijken, zoals het maaibeheer, veranderen. Zijn die niet ook van invloed? Wat is dan het aandeel van de neonicotinoïden?

„De bijdrage van elk van die factoren is heel lastig te ontwarren”, zegt Dave Goulson. Hij is hoogleraar biologie aan de Universiteit van Sussex en hommelspecialist. „Het zou verkeerd zijn om de neonicotinoïden alle schuld in de schoenen te schuiven.”

Goulson publiceerde vorig jaar een overzichtsartikel over deze groep van insecticiden en hun milieurisico’s (Journal of Applied Ecology, 13 juni 2013). Het is onwaarschijnlijk, schrijft hij, dat hommels, en ook honingbijen, er acuut aan sterven. De LC50 (de concentratie waarbij in een laboratorium de helft van de geteste dieren sterft) van honingbijen voor imidacloprid is 4 nanogram. Daarvoor zou een bij, die circa 0,1 gram weegt, in één keer ongeveer 1 gram pollen, of 2,6 milliliter nectar moeten binnenkrijgen. „Dat is onwaarschijnlijk”, schrijft Goulson.

Wat wel kan, is dat chronische blootstelling aan lage concentraties insecticiden op de lange termijn schade veroorzaakt – de zogeheten sublethale effecten. Daar gaat nu de meeste aandacht naar uit. Volgens Goulson zijn voor dit soort effecten „sterke bewijzen”. In experimenten is aangetoond dat bijen dan minder goed leren. Uitgevlogen werksters vinden hun nest moeilijker terug en gaan eerder dood dan normaal. Kolonies brengen minder koninginnen voort. Maar ook hier is de vraag: wat betekent het voor het dagelijkse leven van insecten in het grillige veld?

De blootstelling van bestuivers aan neonicotinoïden hangt af van veel variabelen, schreef een groep Britse en Wageningse wetenschappers onlangs in een ander overzichtsartikel (Proceedings of the Royal Society B, 21 mei 2014). Hoeveel bloeiende planten zijn er binnen hun bereik die stuifmeel en nectar leveren, hoeveel zijn er daarvan behandeld met insecticide, hoe lang staat een behandeld gewas in bloei, plant een boer steeds hetzelfde gewas op een akker of wisselt hij tussen gewassen die hij wel en niet behandelt? Er zijn maar weinig studies die honingbijen in het veld hebben onderzocht op concentraties bestrijdingsmiddelen in hun lijf, schrijven ze. Bovendien zijn er aanwijzingen dat honingbijen en hommels opgestapelde neonicotinoïden in hun lijf kunnen uitscheiden; enkele nanogrammen per dag.

Ondanks alle onzekerheden geldt er sinds begin dit jaar toch een beperkt moratorium voor het gebruik van drie neonicotinoïden. Maar is dat voldoende? Het ging de Tweede Kamer in ieder geval niet ver genoeg. Afgelopen maart nam ze een motie aan om het uit te breiden naar alle neonicotinoïden, en om het te laten doorlopen totdat duidelijk is dat er geen schadelijke effecten zijn op bijen en op de volksgezondheid. Maar staatssecretaris Dijksma (PvdA) van Economische Zaken legde die motie naast zich neer. Brussel had de zaak net onderzocht en sindsdien zijn er geen nieuwe feiten bij gekomen inzake de honingbij, schreef ze in haar Kamerbrief op 17 april.

Inderdaad, niet voor de honingbij, maar wel voor andere dieren, met name waterorganismen. Voor bijen en andere bestuivers mag het bewijs lastig te verzamelen zijn, voor het waterleven is het eenduidiger. Wageningse wetenschappers hebben vorig jaar aangetoond dat eendagsvliegen, waarvan de larven opgroeien in het water, veel gevoeliger zijn voor imidacloprid dan gedacht. Ook dat waren laboratoriumexperimenten, erkent Paul van den Brink, hoogleraar chemische stress-ecologie aan de Wageningen Universiteit. Maar in dit geval zijn de resultaten veel beter te vertalen naar het veld, zegt hij. „Water is een uniformer medium dan het land. Neonicotinoïden lossen erin op en verspreiden zich.” Het Nijmeegs vogelonderzoek wijst ook in de richting van vervuild oppervlaktewater, met verreikende schade.

Op basis van het Wageningse onderzoek aan eendagsvliegen heeft het College voor toelating van bestrijdingsmiddelen (het Ctgb) afgelopen januari het gebruik van een aantal middelen waarin imidacloprid is verwerkt al beperkt. Het is de vraag of dit toereikend is.

Want het Wageningse onderzoek heeft ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu gealarmeerd. In april jl. heeft het geadviseerd de jaargemiddelde norm voor imidacloprid in oppervlaktewater radicaal te verlagen, van 67 naar 8,3 nanogram per liter. Dat zou het gebruik van imidacloprid ernstig aan banden leggen.

Zijn er nóg verdere beperkingen nodig, nu het Nijmeegs onderzoek de gevolgen voor de vogelstand in kaart heeft gebracht? Ecoloog Hans de Kroon twijfelt. Een totaalverbod op imidacloprid, zoals de Vogelbescherming wil, hoeft voor hem nog niet. „Je weet niet wat je ervoor terug krijgt. Misschien wel een erger middel.” In Wageningen is hoogleraar Paul van den Brink stelliger. „Als ons onderzoek aan eendagsvliegen wordt herhaald en bevestigd, zit imidacloprid in de problemen.”