Ghanezen, de Bijlmer en de blinde hoeken van de krant

Schoot de bever in het verkeerde keelgat? Nrc.next en nrc.nl brachten vorige week een lange reportage van drie aankomende journalisten, onder wie een webredacteur van nrc.nl, over Ghanezen in Amsterdam. Althans, naar de vraag waarom obesitas onder hen zoveel voorkomt. (Elke dag fufu in de Bijlmer, 5 juli).

Het stuk was geschreven als een speurtocht, waarbij de drie zichzelf („blank en dun”) in het spel brachten („Dit verhaal gaat ook over ons”) en beschreven hoe ze de zaken hadden aangepakt („We bellen, bellen en bellen.”).

Op Twitter werd het geprezen als narratieve journalistiek. Maar het ging ook meteen, en fel, over de hekel als een vorm van aapjes kijken: NRC ‘gaat op safari’. Nadia Ezzeroili fileerde het stuk in De Groene als „journalistiek voyeurisme”: kijk, rare Ghanezen!

Tja. Naïef was het - alsof de krant voor het eerst de Bijlmer ontdekt - maar bevooroordeeld? Integendeel, het was juist hun onbevangenheid (ze schrijven nooit eerder in de Bijlmer te zijn geweest, niks van Ghanezen af te weten) die irritatie opriep - begrijpelijk.

Twee van de drie slaan dan ook nog een langverwachte Ghanese delicatesse af. Het is bever, begrijpen ze. Ja, dan doemt het beeld op waar de critici op aansloegen: drie Kuifjes in de Bijlmer.

Misser - want het is een goed onderwerp en het stuk bevat mooie observaties, van Ghanezen zelf.

Het punt is: die poging om het onderzoek en de beleving van de auteurs met elkaar te vervlechten is hachelijk. Het tweede gaat snel afleiden van het eerste. Dat is óók een kwestie van eindredactie.

Trouwens, was het wel bever? Dat werd gezegd, maar Ghana-kenner Sanne Terlingen twitterde dat in dat land geen bevers leven. Volgens haar gaat het om een ander knaagdier, een grass cutter (Thryonomys swinderianus).

Intussen zegt dit rumoer iets over de krant én de samenleving.

De Pietse Twisten maakten het al duidelijk: er is een generatie jonge allochtonen opgestaan die iets terugzeggen tegen ‘de media’. Soms schril, reflexmatig, en ooit afgedaan als ‘allochtone twitterintellectuelen’, maar anno 2014 wel degelijk serieus te nemen.

Want de kritiek roept de vraag op naar blinde hoeken van de krant. Heeft die genoeg antennes buiten de eigen, beschermde kring?

Een redactie die bestaat uit telgen van de hoger opgeleide, geseculariseerde blanke middenklasse zal bijna per definitie weinig voeling hebben met andere (sub)culturen. Dat geldt Ghanezen, maar net zo goed gereformeerden.

Een paar leermomenten uit eigen praktijk. Alweer tien jaar geleden ontving de redactie een groep jonge moslims, die nu eens wilden zien waar al die stukken over het multiculturele drama werden gebrouwen. Een van de meisjes met hoofddoek tuurde stomverbaasd over de volle redactiezaal: „Zoveel witte gezichten…” En inderdaad, zo was/is het.

Drie jaar geleden, tijdens een praatje voor scholieren – een van de outdoor activiteiten van de ombudsman – barstte een Marokkaans meisje uit Gouda los: waarom werden de vandalen van Project X in de media „hele gewone jongens” genoemd, maar de jeugd in haar buurt „straatterroristen”. Mond vol tanden.

Dit jaar werd ik na een inleiding in Hilversum aangesproken door een Surinaamse dame die vroeg waarom ze zo weinig „mensen zoals ik” in de krant zag. Ja, ze waren er wel, maar vooral als het ook óver hen ging, en meestal in het kader van een ‘problematiek’.

Natuurlijk is op al die punten wel iets af te dingen.

Ja, de krant heeft nu ‘allochtone’ redacteuren – maar ze zijn op de vingers van één hand te tellen. Hoe dat komt, is vraag twee, je hoort dan meestal verhalen over andere beroepskeuzes en hoge drempels bij de media.

Maar dat de samenstelling van de redactie er toedoet, is een feit: de komst van meer vrouwen leidde tot grotere aandacht voor wat ooit ‘zachte’ onderwerpen heette. En over allochtonen gesproken: onder de Belgische hoofdredacteur is deze krant toch ook andere accenten gaan leggen.

En natuurlijk, de berichtgeving is genuanceerd. Na de ‘minder Marokkanen’-uitspraak van de goedheiligman uit Venlo bracht de krant een reportage over geslaagde Marokkaanse Nederlanders. Ook ‘zomaar’ duiken die wel eens op – zij het mondjesmaat – zoals de ondernemende Hoda Hamdaoui van het modeblad Hoda in een interview (Waarom is iedereen zo wit, 20 augustus 2011).

Dat neemt niet weg dat de pendule zo vooral blijft slingeren tussen noodkreten en hoopvolle berichten uit Multicultië: een wisselbad van misère en zoetigheid. Terwijl er toch veel meer te halen moet zijn uit de echte, concrete wereld tussen die uitersten.

Een krant heeft baat bij een diverse redactie en een groot netwerk, zelfs tot helemaal in de Bijlmer. Aan dat laatste lijkt eenvoudiger iets te doen dan aan het eerste.

Hoewel ik sommige nieuwe publicisten ook graag in de krant zou zien. ‘Twitterintellectueel’ – toch typisch iets voor het visitekaartje van een NRC-redacteur.

Reacties: ombudsman@nrc.nl