De tijd zou je hier toch kort moeten vallen

Pieter Steinz heeft de spierziekte ALS en verbindt het verloop van zijn ziekte met de boeken die hij (her)leest. Deze week: De Toverberg van Thomas Mann.

Illustratie Marike Knaapen

Hij kwam voor drie weken en bleef zeven jaar. Ziedaar de korte samenvatting van Der Zauberberg, de in 1924 verschenen sanatoriumroman van Thomas Mann. In bijna duizend pagina’s maken we grondig kennis met de Hamburgse jongeman Hans Castorp, die aan het begin van de twintigste eeuw zijn tuberculeuze neef bezoekt in een Zwitsers kuuroord. Eenmaal in de onwezenlijke kalmte van de bergen voelt ook hij zich snel niet al te vief meer en geeft hij zich over aan de ligkuren, overvloedige verhalen en oeverloze gesprekken die horen bij het leven van de ‘horizontalen’. En terwijl de tijd stil lijkt te staan, verandert Hans van een enigszins naïeve jongen in een man van de wereld.

Sinds ik gediagnosticeerd ben met een dodelijke ziekte op termijn – een 21ste eeuwse equivalent van tbc – is me met enige regelmaat gevraagd of Manns Zauberberg niet het ideale boek is voor op mijn laatste leeslijst. De roman is door zijn dikte en langzame verteltrant niet in te passen in het moderne leven van de snel afgeleide literatuurconsument; dus is een door rust gedomineerd ziekbed een uitgelezen kans om de Mount Everest van de wereldliteratuur te bedwingen. Bovendien zou Der Zauberberg (waarin ik vijftien jaar geleden halverwege bleef steken) mooie vergezichten kunnen bieden op de situatie van de patiënt-voor-het-leven.

Om een begin met herlezen te maken, nam ik De Toverberg, dit keer in de vertaling van Pé Hawinkels, mee toen ik een paar weken geleden naar het ziekenhuis ging. Daar zou preventief een maagsonde geplaatst worden waarmee ik gevoed zou kunnen worden als mijn slikspieren het begeven. Ik kwam voor drie dagen, ik bleef uiteindelijk meer dan twee weken – op de IC, omdat mijn longen tien uur per etmaal geventileerd moeten worden. Net als Hans Castorp hospitaliseerde ik binnen een dag, in mijn geval omdat ik verschillende keren geopereerd moest worden toen bleek dat de ‘positieve druk’ van de beademing in combinatie met een PEG-sonde rare dingen doet met de lucht in de buik. Maar verder leek mijn verblijf te midden van de genezers niet veel op dat van Hans.

Jazeker, de tijd gedraagt zich op de IC ongeveer zoals op de Toverberg. Ze houdt op te bestaan, je gevoel voor uren van de dag en dagen van de week verdwijnt. „‘De tijd zou jullie hier toch eigenlijk kort moeten vallen’, meende Hans Castorp. ‘Kort of lang, wat je maar wilt’, antwoordde [neef] Joachim. Hij gaat eigenlijk helemaal niet voorbij, wil ik maar zeggen, het is niet eens tijd, en het is ook geen leven – nee, beslist niet’.”

De patiënt is overgeleverd aan het ritme van de ziekenboeg, ondergaat lijdzaam de wisseling van de verpleegwacht, het protocol van medicatie en persoonlijke verzorging en de komst van weer een nieuw bataljon dokters. De tijd is niet meer van jou; van alle dingen die je je had voorgenomen om te doen, komt niets terecht. Na twee weken was ik nog geen 200 pagina’s in De Toverberg gevorderd.

Genoeg om toch een beetje jaloers te worden op Hans Castorp, en niet alleen omdat hem goedbeschouwd weinig mankeert en hij geen nare operaties hoeft te ondergaan. Gegeven de mooie kamer die ik heb, is het flauw om over het uitzicht en de omgeving te beginnen; Amsterdam-Zuidoost is geen Davos en zelfs de wolkenluchten boven de Arena en de Zuidas halen het niet bij de sneeuwjachten van het hooggebergte. Sowieso beleef je de natuur, en dus ook je ziekbed, anders wanneer je aan IC-apparatuur gekluisterd bent en het enige uitstapje een rollatorwandeling naar de Chinese daktuin is.

Ook de Bildung, zo belangrijk in De Toverberg, is in het moderne hersteloord wat minder gewaarborgd. Hans Castorp scherpt zijn persoonlijkheid aan de gesprekken met een Italiaanse humanist en een reactionaire jezuïet; hij wordt hopeloos verliefd op een medepatiënt, en leert eten en drinken van een Hollandse bon vivant. Hier lig ik in isolatie; gesprekken kan ik niet voeren wegens mijn spraakproblemen en ik betwijfel of die van politieke en ethische aard zouden zijn geweest. En dan het eten en drinken. De „sfeer van elegante gezelligheid” die heerst aan de dis in Manns kuuroord (drank, sigaretten, overvloedige spijzen) is hier ver te zoeken. Al was het alleen maar omdat ik twaalf dagen überhaupt niet heb mogen eten of drinken en gevoed werd via een diepliggend infuus, dat overigens het knagende hongergevoel niet wegnam.

Nee, het ziekenhuis is geen Toverberg. En toch zie ik één belangrijke overeenkomst tussen mijn Werdegang en die van Manns hoofdpersoon. Als Hans Castorp na zeven jaar onder de hoede van zijn leermeesters uiteindelijk perfect gebildet de berg afkomt, wandelt hij regelrecht de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog in; al die jaren zorg en opvoeding zijn voor niets geweest. Als ik na alle peperdure operaties, honderd soorten medicijnen en weken van liefdevolle verzorging de intensive care verlaat, heb ik nog steeds ALS en zal een lang leven mij niet beschoren zijn. Het is een staaltje ironie waarvoor Thomas Mann zich niet geschaamd zou hebben.