Beroemde honden

Het is dinsdagochtend, kwart over elf. Daar wordt aan de deur gebeld. Nog aan het einde van de vorige eeuw zou het een ouwe vriend kunnen zijn die toevallig in de buurt is. Ik heb steeds minder ouwe vrienden en als ze op zo’n tijd langs willen komen, bellen ze eerst even op. Door het toetertje dat de directe verbinding met de buitenwereld vormt, vraag ik wie daar voor de deur staat.

„De messenslijper. Hebt u nog iets te slijpen?”

Jaja, denk ik. Dat is zo’n man die omstreeks deze tijd langs de deuren gaat en dan lees je later in de krant dat er hier en daar oude vrouwen en mannen beroofd zijn door iemand die zich voordeed als messenslijper. Maar ik ben nieuwsgierig, ik hou mijn wandelstok met verzwaard handvat (in het Frans casse-crâne, schedelbreker) onder handbereik en doe open.

Dat valt mee. Het blijkt een keurige meneer met een aristocratisch gezicht te zijn. Wat is dat? Beschaafd. Hoe leg je dat tegenwoordig uit? Het is uitzonderlijk regelmatig, geen wegkijkende ogen, geen neus die in een soort knop eindigt, geen scheve mond, niet lachen terwijl er niets te lachen valt. Vroeger werden graven en hertogen met een beschaafd gezicht geboren, dachten de mensen toen. Maar ook destijds kon je je daarin vergissen. Weet u nog wat er in 1296 is gebeurd? Toen werd graaf Floris V door de edelen vermoord. Dat zijn bijnaam ‘der Keerlen God’ was, de god van de boeren, kon de moordenaars niets schelen.

Iemand die aan de deur komt om je messen te slijpen werd vroeger een scharensliep genoemd. Toen hadden ze een karretje waarop de slijpinstallatie was gemonteerd, een ronde steen die door een trapmechanisme werd aangedreven. Om het karretje te laten rijden had de scharensliep de hulp van een hond die ergens eronder in het schemerdonker aan een tuig zat vastgebonden. Trekhond zijn, misschien wel het treurigste zoogdierenbestaan ter wereld.

Ik herinner me een oude foto waarop je zo’n dier ziet. Het staat in het midden van een groepje mannen. Zelden, of misschien wel nooit daarna heb ik zo’n verslagen, intens droevig dier gezien. In 1911 hebben we hier de Trekhondenwet gekregen, betrekkelijk laat in vergelijking tot de rest van de beschaafde wereld. In 1963 is de trekhond eindelijk verboden.

Vorige week had ik het over onze eigentijdse, nog steeds omvattender wordende zucht tot toenadering die onophoudelijk digitaal gestimuleerd wordt. En nu, op de ochtend van de messenslijper, kreeg ik weer een e-mail van een onbekende die me in wil linken. Hij heeft de achternaam van iemand, lang geleden gestorven, die ik ooit tot mijn beste vrienden rekende. Nee! Ik wil niet met misschien wel honderdduizenden onbekenden ingelinked worden. Wilt u contact, stuur een mail en dan zal ik wel zien wat ik ermee doe.

Komt het door deze digitale revolutie of was het anders ook wel gebeurd, door de groei van de wereldbevolking bijvoorbeeld? Ook dit is al jaren geleden begonnen: elkaar tutoyeren in plaats van met ‘u’ aanspreken. Heel vroeger, misschien wel een jaar of zestig geleden, was voor volwassenen iedereen die ze niet goed en van nabij kende een ‘u’. En kinderen spraken hun ouders ook met ‘u’ aan. Zo streng ben ik niet. Maar wel hindert het me nog iedere keer als door de radio een of andere reclameschreeuwlelijk me met ‘jai’ aanspreekt.

Zeuren over hedendaagse misstanden en toekomstig onheil is een oude gewoonte. „Waar moet het heen? Hoe zal het gaan? Waar komt die rotzooi toch vandaan?”, zong Barend Servet. Of was het Sjef van Oekel? In ieder geval was het een tekst van Wim T. Schippers. „Waar eens de mooiste bloemen bloeiden, staat nu een maf paleis.”

Van Oekel, Servet en Fred Haché zijn televisiehelden die in de jaren zeventig furore maakten. Hoe komt het dat deze kampioenen van de absurditeit verdwenen zijn? Ik herinner me een scene waarin Servet kelner aan het hof is. De koningin zit spruitjes te schillen. Veel werk laat ze aan haar lakeien over maar dit houdt ze zelf in handen, zegt ze. Daar komt Servet. Ze roept: „Ober! Eén sherry!” Onder de burgerij ontstond verontwaardiging.

De absurditeit is uit het dagelijks leven verdwenen. In plaats daarvan hebben we het gehos en gebrul van de sport en de intimiteit van internet gekregen. In 1986 is in de Stadsschouwburg één keer een toneelstuk van Schippers opgevoerd: Going to the dogs. Het werd gespeeld door vijf honden, de zaal zat vol. Het is toen even wereldnieuws geweest.