Wordt vervolgd... Oh, nee toch niet

Pep was voor de generatie die nog te jong was voor sex, drugs & rock ‘n’ roll, maar die al geen geduld meer had voor een eend die zich ‘oom’ liet noemen. Waarom liep het treurig af met dit mooie blad?

Covers, kloksgewijs 1967, 1975, 1970, 1974, 1973, 1970 Illustraties uit besproken boek

Strips kinderachtig? Niet voor lezers van Pep, het weekblad dat van 1962 tot 1975 de toon zette in de Nederlandse stripwereld. Pep-lezers waren gegrepen door de western-avonturen van anti-held Blueberry, of door de absurdistische humor van Marcel Gotlib. Ze keken meewarig naar kinderen die nog lachten om Sjors en Sjimmie of, ook erg, Suske en Wiske. Kortom, Pep was voor prepubers wat Le canard enchainé was voor studenten. Naast een selectie van vertaalde Franse strips, bracht Pep werk van de grote Hans G. Kresse en van jonge Nederlandse tekenaars, onder wie de latere ‘grote vijf’: Martin Lodewijk (Agent 327), Dick Matena (Grote Pyr), Fred Julsing (Wellington Wish), Peter de Smet (De generaal) en Daan Jippes (Twee voor thee). Het laatstgenoemde verhaal geldt nog steeds als een hoogtepunt van Nederlandse stripkunst.

De jaren Pep biedt eindelijk een mooi overzicht van de geschiedenis van het progressieve blad, dat nog door ‘de bladenman’ werd bezorgd in een leesportefeuille voor het hele gezin. Het is, hoe kan het ook anders, geschreven door een bewonderaar. Ger Apeldoorn (1959) noemt zichzelf ‘een volwaardig lid van de Pep-generatie’. Op zijn veertiende bezocht hij al de redactie. Maar hij is ook bij de tijd: het boek wordt bediscussieerd en aangevuld op Facebook.

Dat Apeldoorn spreekt van een ‘generatie’, is veelzeggend. De hoogtijdagen van het blad vielen samen met die van de hippe jeugdcultuur van de late jaren zestig en begin jaren zeventig. Strips werden niet meer gezien als inferieur leesvoer, maar als creatieve expressie in de jaszak van de homo ludens. Net als het grote Franse voorbeeld Pilote, maakte Pep ernst met die speelse zaken. Gemikt op tieners die nog te jong waren voor sex, drugs & rock ‘n’ roll, maar die al geen geduld meer hadden voor een grappige muis met grote, gele schoenen of een eend die zich ‘oom’ liet noemen.

Turbulentie

Apeldoorn mag dan een bewonderaar zijn, onkritisch is hij niet – zoals het een lid van de Pep-generatie betaamt. Hij volgt de geschiedenis van het blad, uitgegeven door De Geïllustreerde Pers en later VNU, beschrijft gedetailleerd het bewind van de opeenvolgende hoofdredacteuren (Peter Middeldorp, Hetty Hagebeuk en Frans Buissink) en behandelt alle gezichtsbepalende strips en tekenaars. Maar ook de turbulentie achter de schermen komt aan bod. Tot en met het hardhandige ontslag van Hagebeuk, die grote verdiensten had, maar over wie in het boek ook pijnlijk harde woorden vallen.

Haar vernieuwende bewind (1969-1972) eindigde behalve door ongenoegen over haar kennelijk onberekenbare managementstijl ook in een heus psychodrama, met hints van drankzucht en paranoia. Een serieus gemis is dan wel, dat Hagebeuk zelf niet aan het woord komt (zij is enkele jaren geleden overleden). Ook de bronnen die Apeldoorn wél sprak, hadden van mij meer tekst mogen krijgen; hij blijft nu wel heel dicht bij de chronologische feiten en zoomt weinig uit.

Ondanks zijn respect en zelfs affectie voor hen is Apeldoorn overigens ook niet kritiekloos over de tekenaars. Met name de weergaloze Fred Julsing, als scenarist minder begaafd dan als tekenaar, krijgt naast lof een tik op de vingers, vooral wegens zijn latere ‘onleesbare’ verhalen.

Het einde, in 1975, was teleurstellend. Ondanks een nieuwe creatieve impuls onder Hagebeuks opvolger Frans Buissink – in mijn ogen de beste periode van Pep, met Oekeliaanse humor, en grafische experimenten van Ger van Wulften – stagneerde de oplage. Een abrupte koerswending om het blad weer lichter verteerbaar te maken, en dus aantrekkelijker voor jongere lezers, mislukte en vervreemdde juist de oudere lezers. De oplage kelderde van 300.000 naar ongeveer 200.000 exemplaren.

Uiteindelijk werd het blad opgenomen in het nieuwe Eppo, een tot mislukken gedoemde poging de achterbannen van Sjors en Sjimmie en Pep te verenigen. Gedesillusioneerde Pep-tekenaars experimenteerden nog een tijdje met eigen, underground-achtige eigen bladen als Baberiba (één keer verschenen) en De vrije balloen (dat het, met een hoog semivrijgevochten ‘oh lala’ gehalte, langer uithield).

Carrière

Zo is het, schrijft Apeldoorn, ‘allemaal niet zo vrolijk afgelopen.’ Ook al maakten de meeste tekenaars op den duur ook elders carrière: Martin Lodewijk is nu de grand old man van de Nederlandse strip, Dick Matena gelauwerd om zijn verbeeldingen van romans (vanaf De avonden), Daan Jippes vertrok naar Los Angeles. Julsing en De Smet zijn, veel te jong, overleden.

Waarom liep het zo treurig af?

Misschien is het simpel. Pep groeide mee met zijn lezers, stelt Apeldoorn vast. Dat is waar. Maar het verklaart misschien ook de neergang: op een gegeven moment waren de prepubers niet meer te jong voor sex, drugs & rock ‘n’ roll – en zeiden ze Pep vaarwel. Bij hun broertjes legde het wekelijkse feuilleton (‘wordt vervolgd’) het af tegen complete nieuwe verhalen in albumvorm. Het digitale tijdperk bracht daarna de hevige concurrentie van game boy en Playstation.

De erfenis van Pep, behalve nostalgie: een generatie Nederlandse tekenaars die allemaal op hun manier schatplichtig zijn aan het blad.

Tot slot: ook Apeldoorn heeft niet kunnen achterhalen wie de naam Pep (‘oppeppen’) in 1962 eigenlijk bedacht en waarom. Pop-psychologie, speed? Wie het weet, van die generatie, mag het zeggen.