Visie? Bij ons op Tilburg University gaat het om geld

Noodkreet uit Tilburg: op de universiteit daar worden beslissingen topdown door managers genomen. Zes wetenschappers slaan alarm.

Onder de titel ‘Onderzoekers eerst, voor een betere universiteit’ (Engelstalig), hebben wij het College van Bestuur van Tilburg University (TiU) een petitie aangeboden waarin wij vragen om precies dat te doen. Waarom aandacht voor een oproep die overbodig zou moeten zijn? Het antwoord is dat ook elders wetenschappers bezorgd zijn en dat Tilburg model kan staan voor wat in Nederland mis is, en verder uit het lood kan raken.

Laat ons allereerst stellen dat, ondanks aandachtspunten zoals genoemd door Science in Transition, met onze wetenschap zelf, op korte termijn, weinig mis is. Voorlopig zijn wetenschappers nog productief en hebben impact. Veelzeggend is dat het IBO Wetenschappelijk Onderzoek dat het ministerie van Financiën in mei uitbracht niet met een kabinetsreactie gepaard ging. Dat is juist het probleem. Er is geen visie, niet bij het kabinet en niet bij de universitaire bestuurders. Men kijkt naar wetenschap zoals een leek naar een paddenstoel en ziet alleen de vruchten die verkocht kunnen worden. Wetenschap is waardevol als die onze concurrentiekracht vergroot, maar de onderliggende structuur wordt verwaarloosd.

In onze visie is wetenschap goed vergelijkbaar met voetbal. Bij beide streven spelers om de beste ter wereld te zijn. Bij voetbal accepteert ieder dat alles in dienst staat van het ultieme doel, dat het beste team moet worden opgesteld, dat jonge spelers goed moeten worden opgeleid en dat de echt belangrijke beslissingen aan de experts moeten worden overgelaten. Bestuurders zijn belangrijk, in hun rol als enablers.

Op de universiteit is het anders. Er is een veelheid aan doelen, beslissingen worden topdown door managers genomen, zonder inspraak van de (top)spelers, en de randvoorwaarden zijn niet op orde. Het doel van de petitie is deze fundamentele gebreken te signaleren en diagnosticeren, en een rationele discussie te initiëren om zo oplossingen te vinden. Universitair management moet op academische waarden gebaseerd zijn en op wetenschappelijke principes gestoeld.

De wet stelt helder wat universiteiten moeten doen, maar kan wel ambitieuzer worden ingevuld. Het doen van grensverleggend wetenschappelijk onderzoek en het geven van inspirerend onderwijs, dat studenten een beter begrip geeft van de wereld om ons heen, blijven de twee kerntaken. De beste onderzoekers zijn de beste docenten. Valorisatie volgt automatisch. Ambitieuze wetenschappers hoeven niet geprikkeld te worden om na te denken over maatschappelijke toepassingen. Dwingen leidt al snel tot verzwakking van de kip met de gouden eieren. De oplossing van de Europese kennisparadox ligt niet in sturing van het onderzoek. Israël, Zwitserland en de VS kennen geen paradox en geen sturing.

Uit het doel volgt meteen de kernvraag – hoe onderzoekers optimaal te faciliteren? – maar die wordt te weinig gesteld. Dat komt mede omdat de MUB (de wet die het bestuur van universiteiten regelt) niet goed doordacht is. De wet was het antwoord op de doorgeslagen democratisering van de jaren ‘60. In het marktdenken van de jaren ‘90 zocht minister Jo Ritzen inspiratie in het bedrijfsleven. Gebaseerd op de gedachte dat de markt disciplineert, legt de wet een top-down structuur op, waarbij alle macht bij het College van Bestuur ligt, dat vervolgens macht aan de decaan kan delegeren. Deze structuur past echter niet bij een universiteit, die in eerste instantie een gemeenschap van onderzoekers, een maatschap, is.

Toegegeven, de wet sluit niet uit dat het College van Bestuur bottom-up procedures gebruikt om tot beleid te komen, maar in de praktijk gebeurt dat niet echt. Macht corrumpeert blijkbaar. Bestuurders leggen formele verantwoording af aan inspraakorganen zonder macht, waarin wetenschappers in de minderheid zijn en goede wetenschappers veelal rationeel afwezig: zij richten zich op hun kerntaken en verwaarlozen het publieke goed. Het vacuüm wordt opgevuld door de ondersteunende staf dat een eigen hiërarchische kolom vormt en rationeel de eigen belangen nastreeft. Als wetenschappers de ondersteuners niet mogen aansturen of beoordelen kan niet verwacht worden dat deze de wetenschappers optimaal ondersteunen, uitzonderingen daargelaten.

Het geheel wordt overzien door Raden van Toezicht (RvT), waarin de wetenschap (breed gedefinieerd) nauwelijks vertegenwoordigd is. Slechts 14 procent van de RvT-leden komt uit de wetenschap, het bedrijfsleven (27 procent) en de politiek (14 procent) zijn oververtegenwoordigd. Ook hier zien we dat de wetenschap nu in dienst van het bedrijfsleven staat. De RvT wordt geacht het belang van de universiteit te dienen, maar kan van een niet-wetenschapper verwacht worden dat hij weet wat dat belang is?

De wetenschappers hebben het allemaal laten gebeuren. In een cultuur waar managen en besturen als minderwaardig wordt gezien is dat niet verrassend. Zoals een van hen zei: „Mijn taak is het schrijven van papers, bestuurders produceren papier.” Helaas heeft dat papier intussen schadelijke gevolgen.

Wetenschappers kan men niet veranderen en dat hoeft ook niet. Maar een wet wel. Het is tijd voor een organisatiestructuur die past bij een universiteit als maatschap, zoiets als ‘één stem voor elk (goed) idee’.