Oude media moeten niet zo bang zijn voor nieuwe

Filmmakers zijn erbij gebaat dat hun werk niet te snel online wordt gezet, schreef Pieter den Hollander hier vorige week. Ernst-Jan Pfauth spreekt hem tegen.

Illustratie Jenna Arts

In april 2007 zat ik samen met tweeëntwintig New Yorkers in een gigantische bioscoopzaal op Broadway. Er klonk Nederlands door de ruimte en wie die taal niet machtig was, moest de Engelstalige ondertiteling lezen. Na afloop sprak ik een paar Amerikaanse bezoekers aan. „Nice boobs”, zei een vrouw over Carice van Houten. Een ander was verguld dat de film liet zien dat de verhoudingen tussen goed en kwaad in de oorlog ingewikkelder lagen dan wij nu denken.

Ik moest aan dit Nederlandse filmavontuur in Amerika denken toen ik in nrc.next een stuk las van opiniemaker Pieter den Hollander, die mijn column voor De Correspondent, kop: ‘Waarom wij sommige prachtige documentaires nooit zullen zien’, per ongeluk verkeerd begrepen had en er de film Zwartboek bij haalde.

Met de column wilde ik filmfestivals aanmoedigen te vernieuwen en te experimenteren, om hun invloed verder te laten gaan dan de zalen waar ze hun films vertonen. Aanleiding vormde de bizarre eis van filmfestivals dat de films die ze vertonen niet online mogen komen. Zelfs niet achter een betaalmuur.

Gevolg ervan is dat een film jarenlang toert langs zaaltjes met een paar honderd man en het grote publiek al die tijd ervan verstoken blijft. Als geen enkel festival in jouw buurt de film aankoopt, sta je met lege handen.

Daarom stelde ik voor op zoek te gaan naar nieuwe manieren om documentaires beter beschikbaar te maken. Festivals kunnen immers miljoenen kijkers bereiken, en daarmee is het een gouden tijd voor smaakmakers. In de bijdragen onder mijn column dachten filmmakers, filmjournalisten, festivalbezoekers en -organisatoren mee hoe we documentaires onder de aandacht van een groter publiek kunnen krijgen.

Maar Den Hollander zag daar het nut niet van in. Het lijkt alsof hij niet wil nadenken over het bereiken van een groter publiek voor documentaires, zo blijkt uit een opiniestuk voor nrc.next (vrijdag 4 juli) en reacties op Facebook.

Den Hollanders redenering: juist omdat Zwartboek niet online verscheen, werd het zo’n succes in de VS. Bovendien, zodra je nieuwe media voor films inzet, gaat het direct mis. Zijn bewijsstuk: de volgende film die Verhoeven maakte, Steekspel (2012), waaraan iedereen die dat wilde via het web kon meeschrijven.

Voor Den Hollander ligt de kwestie zwart-wit: internet is slecht, de traditionele filmwereld is goed.

Daarom schrijft hij dat ‘nieuwe media alle contact met de werkelijkheid hebben verloren’. Hij hekelt mijn ‘populistische’ ideeën en bejubelt de curerende taak van filmfestivals. Namelijk: hoe zij uit een overvloed aan films een strenge selectie maken en die presenteren. Naast kwaliteit speelt bij die selectie volgens hem nog iets belangrijk: ‘Het werk moet niet al rouleren.’

Maar helaas legt Den Hollander niet uit waarom de films niet al online mogen staan. Wel zegt hij dat ‘een festival nu eenmaal een gesloten iets is, [die film] komt onvermijdelijk wel een keertje online’.

In alle argumenten van Den Hollander zie ik een angst voor verandering en een fundamentele onzekerheid over het nut van filmfestivals. Hij vreest dat bezoekers afhaken als documentaires online verschijnen. Alsof die bezoekers alleen op de film zelf afkomen. Niets is minder waar. Ze gaan naar een festival voor de gedeelde beleving met andere liefhebbers. Of voor het grote scherm en prachtig geluid. Et cetera.

Er komt, kortom, geen man minder naar een festival als de film online staat (net zoals bioscoopbezoek blijft stijgen, ondanks de alomtegenwoordigheid van torrents).

De angst en onzekerheid van Den Hollander lijken hem zo te verblinden dat hij vervolgens denkt dat ik ervoor pleitte filmfestivals als ‘Cannes en het Holland Festival helemaal af te schaffen’.

Ja, dat zou ook mij doodsbang maken.

Daarom nu de geruststelling. En een oproep.

We moeten filmfestivals niet afschaffen, we moeten bedenken hoe we ze kunnen versterken, hoe we ervoor kunnen zorgen dat hun invloed als smaakmakers in deze gouden tijd vergroot wordt.

Zodat meer mensen kennismaken met die prachtige documentaires die zij onder de aandacht willen brengen (in ieder geval meer dan die tweeëntwintig New Yorkers).

Doen we dat, zoals de hoofdredacteur van De Filmkrant in een reactie op mijn column zei, door een nieuw online platform te ontwikkelen waar mensen tegen betaling een documentaire kunnen kijken?

Stel dat festivals daarop ook hun programma tonen, zodat mensen over de hele wereld hun selectie kunnen volgen, dan neemt de invloed van festivals zelfs toe. En als dan op zo’n platform blijkt dat er in een bepaalde regio een enorme interesse voor een bepaalde film bestaat, dan kunnen daar in lokale bioscopen vertoningen worden georganiseerd, zodat liefhebbers de film ook op een groot scherm kunnen zien en makers een extra inkomstenbron hebben.

Er zijn genoeg mogelijkheden om honderdduizenden filmliefhebbers over de hele wereld te bereiken, maar dan moeten we de experimenten wel aandurven. Wat we in ieder geval niet moeten hebben, is een scheiding tussen twee werelden: 1. Een ‘oude’ wereld die het web vanuit angst met hand en tand bestrijdt (zoals Den Hollander doet); 2. Een ‘nieuwe’ wereld die de oude wereld volledig afschrijft en met doorgeschoten experimenten komt, zoals gebeurde bij die andere film van Paul Verhoeven, Steekspel, waarin de artistieke integriteit werd opgegeven door jan- en-alleman te laten meeschrijven aan een film. 3. Waar we naar moeten streven, is het samenbrengen van experts uit beide werelden die samen bedenken hoe we filmfestivals een nieuw tijdperk kunnen binnenloodsen door de kracht van het web volledig te benutten, zonder hun oorspronkelijke waarden en uitgangspunten weg te gooien.

Ik kijk ernaar uit!