Oorlog is goed, maar lang niet altijd

Oorlog is niet zinloos, maar helpt de wereld vooruit, weet historicus Ian Morris zeker. Het bewijs: de kans dat we – wereldwijd – nu door geweld omkomen is veel kleiner dan tijdens de Romeinen of in de Middeleeuwen.

Zelden kreeg een boek onbedoeld een toepasselijkere titel dan The Great Illusion van Norman Angell. In deze bestseller uit 1910 betoogde de Britse journalist (en latere winnaar van de Nobelprijs voor de vrede) Angell (1872-1967) dat oorlogen in het industriële tijdperk ‘futiel’ waren geworden. De economieën van de Europese landen waren zo met elkaar verweven geraakt dat de schade die ze van oorlogen zouden ondervinden veel groter was dan de opbrengsten. Nieuwe grootschalige oorlogen in Europa waren daarom niet uitgesloten, maar wel hoogst onwaarschijnlijk. ‘De dagen van vooruitgang door geweld zijn geteld en van nu af aan zal er vooruitgang zijn door ideeën’, voorspelde Angell. Vier jaar later brak de Eerste Wereldoorlog uit, de verschrikkelijkste oorlog tot dan toe, die ook algemeen als de meest zinloze wordt beschouwd.

In Verwoesting en vooruitgang. Hoe oorlog de menselijke beschaving heeft gevormd haalt de Britse historicus en archeoloog Ian Morris (1960) het pamflet van Angell een paar keer aan. Achteraf gezien koos Angell inderdaad een ongelukkig tijdstip voor The Great Illusion, vindt Morris die vier jaar geleden opzien baarde met Why the West Rules – For Now (2010), een studie over de westerse overheersing van de wereld.

Risico

Maar wat blijkt nu, in het tweede decennium van de 21ste eeuw? ‘Als Angell hier een eeuw na zijn uitspraak had kunnen terugkeren, zou hij gezegd hebben dat hij de beste toekomstvoorspeller aller tijden was’ schrijft Morris: ‘In 2010 was de aarde vreedzamer en welvarender dan ooit tevoren. Het risico van een gewelddadige dood was minder dan één op honderd (in West-Europa minder dan één op drieduizend). Mensen werden gemiddeld twee keer zo oud, aten zo goed dat ze bijna tien centimeter langer werden en verdienden vier keer zoveel als hun grootouders in 1910.’

Zoals de meeste historici, vindt Morris de Eerste Wereldoorlog niet onvermijdelijk. Het is heel eenvoudig: als de Oostenrijkse kroonprins Franz Ferdinand in 1914 niet naar Sarajevo was gegaan, was de Eerste Wereldoorlog niet uitgebroken. Maar dit maakt de Eerste Wereldoorlog nog niet zinloos. In 1914 begon de ‘Oorlog om Europa’, die pas na de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog in 1989 eindigde met de val van de Muur en de opheffing van de Sovjet-Unie twee jaar later, betoogt Morris. Het eindresultaat van de 75 jaar durende oorlog was dat Groot-Brittannië, dat in de 19de eeuw de politieman van de wereld was geworden, eindelijk een opvolger had gekregen. Vanaf 1989 waren de Verenigde Staten de onbetwiste globocop van de internationale orde en brak er een periode van ongekende, wereldwijde vrede en welvaart aan. De Oorlog om Europa is niet de enige oorlog die voor vooruitgang heeft gezorgd, zo wil Morris laten zien met War! What is it good for, een titel die hij ontleende aan de gelijknamige anti-oorlogsnummer (1970) van Motownzanger Edwin Starr. Sinds de mens de landbouw uitvond zijn oorlogen de motor van de vooruitgang geweest, is zijn provocerende stelling.

Gekooid

Dat werkte zo: door de uitvinding van de landbouw raakte de mens, anders dan de nomadische jager die hij eerder was, ‘gekooid’ en bleef hij op één plek wonen. Doordat de landbouw meer voedsel opleverde dan jagen en het verzamelen van vruchten, nam ook de bevolking sneller toe. Dit maakte na verloop van tijd gebiedsuitbreiding nodig en dit deed de mens, van nature een beest dat geweld niet schuwt, door de verovering van nieuwe gebieden. Eerst werden die beheerst door wat Morris ‘stationaire bandieten’ noemt, krijgsheren die een deel van de oogst opeisten. Uiteindelijk ontstonden er ordelijke ‘machtsstaten’, grote samenlevingen met een centraal gezag dat min of meer een monopolie op geweld had.

In deze machtsstaten nam de productiviteit en dus de welvaart verder toe en daalde het aantal doden door geweld. Had de mens in het stenen tijdperk een kans van twintig procent om door geweld om te komen, in het Romeinse Rijk was dit ondanks de vele oorlogen nog maar zo’n vijf procent. En in de eeuw van de twee Wereldoorlogen was dit percentage zelfs gedaald tot twee procent, wereldwijd.

Om te bewijzen dat oorlog en vooruitgang onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, heeft Morris zich niet beperkt tot militaire geschiedenis. Verwoesting & vooruitgang is een indrukwekkend amalgaam van beschouwingen over geschiedenis, evolutiebiologie, psychologie, antropologie, speltheorieën, wapenkunde en oorlogsvoering. Maar hoe knap en erudiet Morris’ studie ook is, zijn boude stelling dat ‘juist oorlog de wereld veilig heeft gemaakt’, weet hij niet overtuigend te bewijzen.

Om te beginnen laat hij na om uit te leggen wat het nut van veel beruchte oorlogen nu precies is geweest. De Napoleontische oorlogen in het begin van de 19de eeuw noemt hij bijvoorbeeld wel, maar of en hoe ze het toenmalige Europa veiliger en welvarender hebben gemaakt, wordt niet duidelijk. De Dertigjarige Oorlog die van 1618 tot 1648 Europa teisterde en aan een groot deel van de Duitse bevolking het leven kostte, laat hij zelfs ongenoemd. Voor Morris doen afzonderlijke oorlogen niet zo veel ter zake. Hij is een historicus van de grote greep: alle oorlogen uit het tijdvak 1415-1914 zijn in zijn betoog onderdeel van de ‘Vijfhonderdjarige Oorlog’. De einduitkomst van deze eeuwenlange oorlog was dat globocop Groot-Brittannië en andere Europese landen 84 procent van de wereld beheersten en die ‘veiliger dan ooit tevoren’ maakten.

Contraproductieve Oorlog

Toch blijkt in de loop van Verwoesting & vooruitgang dat lang niet alle oorlogen zijn uitgemond in meer veiligheid en grotere welvaart. Er bestaan ‘productieve’ en ‘onproductieve’ oorlogen, legt Morris uit, en de laatste soort oorlogen leidt niet tot vooruitgang. Zo werd de productieve Vijfhonderdjarige Oorlog voorafgegaan door de ‘Contraproductieve Oorlog’ die maar liefst van het jaar 1 tot 1415 duurde. Europa en Azië werden toen geteisterd door invallen van nomadische ‘barbaren’ uit Centraal-Azië. Met hun nieuwe manier van oorlogvoeren – op paarden – hadden ze veel succes. Uiteindelijk leidden hun invallen niet alleen tot de ondergang van het Romeinse Rijk, maar ook tot die van de grote machtsstaten die in China en India bestonden. En aangezien het eigenlijk niet oorlogen of verwoestingen maar machtsstaten zijn die met een monopolie van het centrale gezag op geweld en belastingen zorgen voor meer veiligheid en welvaart, ging de wereld gedurende de eerste 1400 jaar van de jaartelling juist achteruit.

Morris baseert zijn studie over oorlogen op globale cijfers over geweldsdoden door de millennia heen. Die heeft hij gedeeltelijk ontleend aan The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined , een studie uit 2011 waarin de Canadees-Amerikaanse psycholoog Steven Pinker laat zien dat het geweld in de loop van millennia is afgenomen en zelfs de twintigste eeuw veel minder gewelddadig was dan het stenen tijdperk.

Maar hoe Morris’ cijfers precies zijn samengesteld, blijft vaak onduidelijk. Zo merkt hij op dat ook de doden door ziekten, honger en terreur die met oorlogen verband houden, geweldsdoden zijn. Maar duister blijft of hij in de Vijfhonderdjarige Oorlog bijvoorbeeld de miljoenen doden heeft meegerekend die tijdens de Belgische heerschappij in Congo vielen. Vermoedelijk niet. Zijn onderzoek naar precieze aantallen geweldsdoden wekt in ieder geval geen grondige indruk. Zo schrijft hij dat Stalin in de Sovjet-Unie ‘tienduizenden van zijn onderdanen’ liet executeren, terwijl dit er alleen al in 1937 700.000 waren.

Aan het eind van zijn boek geeft Morris toe dat zijn cijfers ‘subjectieve gegevens’ zijn. ‘Uit verder onderzoek zal ongetwijfeld blijken dat ook de door mij gehanteerde schattingen niet kloppen’, schrijft hij laconiek. ‘De kans om door oorlogsgeweld om het leven te komen in de oude rijken heb ik geschat op 2 tot 5 procent, oplopend naar 5 tot 10 procent in de periode van de daaropvolgende feodale anarchie. Maar zo werkt wetenschap nu eenmaal: een onderzoeker heeft bepaalde vermoedens, die door een andere onderzoeker al snel weerlegd en door een betere aanname vervangen worden.’

De meeste historici kijken slechts achterom en wagen zich niet aan een blik in de toekomst. Maar als historicus die zich het liefst bezighoudt met de hele menselijke geschiedenis, is Morris daar niet bang voor. In het slothoofdstuk ‘Laatste hoop voor de wereld: het Amerikaanse wereldrijk, 1989-?’ schetst hij verschillende scenario’s voor de wereld omstreeks 2040.

Globocop

Ergens tussen 2030 en 2040 zullen de Verenigde Staten als globocop van de wereld worden uitgedaagd en wordt de overheersende Amerikaanse positie bedreigd door China, dat nu al lange tijd een grote economische groei kent. Verrassend genoeg is volgens Morris de slechtste manier ‘waarop de Verenigde Staten China zouden kunnen onderschatten gelijk aan de slechtste manier waarop Groot-Brittannië een eeuw geleden Duitsland verkeerd had kunnen begrijpen: door in oorlog te raken.’ Want al wil hij met Verwoesting & vooruitgang bewijzen dat oorlog goed is voor de wereld, sinds de val van de Muur en het einde van de Koude Oorlog is er iets fundamenteels veranderd. Niet alleen de Verenigde Staten, Rusland en China hebben nu atoomwapens, maar ook landen als Pakistan, Noord-Korea, Israël en binnenkort misschien ook Iran. De kans is dan ook groot dat een grote oorlog omstreeks 2040 een Armageddon wordt. Misschien zorgt de toenemende robotisering en computerisering ervoor dat landen en wereldburgers steeds meer met elkaar versmelten, zo speculeert Morris, en wordt de Pax Americana vervangen door de Pax Technologica. Maar erg gerust is hij er niet op. Een eeuw geleden dachten figuren als Norman Angell tenslotte ook dat de verwevenheid van de Europese landen een nieuwe, grote oorlog onwaarschijnlijk maakte.