Nederland helpt China met het opleiden van personeel musea

China wil dat in de komende jaren ruim duizend museumdirecteuren in Nederland, maar ook in Engeland en Frankrijk getraind worden in professioneel museummanagement, collectiebeheer en het ontwikkelen van een geïnteresseerd publiek. Nederland, waar in de komende jaren enkele tientallen van hen zullen worden bijgeschoold, gaat ook meewerken aan de oprichting van een museaal expertisecentrum in China.

Tijdens een weeklang bezoek hebben topambtenaren van het Chinese ministerie van Cultuur en de directeuren van de belangrijkste nationale musea om Nederlandse hulp gevraagd om het snel groeiend aantal Chinese musea beter te leiden en interessant te maken voor een breed publiek. Het aantal musea in China, waar iedere werkdag een nieuw museum wordt geopend, groeit spectaculair, maar het besturen van deze instellingen en het organiseren van exposities blijkt problematisch.

„Er is in China grote behoefte aan onze kennis op het gebied van museumbeheer, behoud van collecties en het organiseren van exposities’’, aldus Monique Knapen van DutchCulture, de organisatie voor internationale culturele samenwerking, die de Chinese delegatie begeleidt.

Training van museumdirecteuren door het Van Gogh en andere musea aan academies – tegen betaling – heeft voor China prioriteit. Daarnaast zijn de Chinese autoriteiten geïnteresseerd in de financiering van musea. Slechts 8 van de ruim 4.000 Chinese musea worden door de nationale overheid gefinancierd, de overige zijn in handen van provincies en steden die vaak niet over voldoende budgetten beschikken om expertise in huis te halen en collecties op te bouwen.

Dat Chinese musea worstelen met het samenstellen van collecties blijkt uit de recente sluiting van het Lucheng Museum in de noordoostelijke provincie Lianing. Eenderde van de collectie Qing-kunst, waarvan de waarde aanvankelijk was geschat op 100 miljoen, bleek vals. Vorig jaar stierf een particuliere museumeigenaar in de provincie Hebei aan een hartaanval toen ontdekt werd dat het overgrote deel van zijn collectie aan oude kunst en antiek (40.000 voorwerpen) namaak bleek te zijn.