‘Ik was de jongen van de knipsels’

Nieuwssites, blogs en sociale media. De journalistiek verandert in razendsnel tempo. Hoe werd de krant in de vorige eeuw gemaakt?

foto merlijn doomernik

‘Rond een uur of drie ’s middags, kwam dat goddelijke geluid: het was alsof de zwaarste machine ter wereld werd aangezet.”

Als Henk Hofland rond drie uur klaar was met het schrijven van zijn stukje, ging hij vaak even naar beneden om in de kelder van het Algemeen Handelsblad, gevestigd in het hoekpand van de Paleisstraat in Amsterdam, snel een blik te werpen op de drukkerij. „De persen kwamen langzaam op gang, na een tijdje vlogen de kranten ervan af. Heerlijk om daar bij te staan. Wat je net had geschreven, stond meteen vers gedrukt op het papier.”

Hofland kwam in 1953, min of meer per toeval, terecht op de buitenlandredactie van het Algemeen Handelsblad. „Ik schreef in die tijd stukjes voor het studentenblad Propria Cures en literair tijdschrift Podium. Journalist Hans Hoefnagels, met wie ik een appartementje deelde, vroeg of ik een paar maanden een redacteur op de buitenlandredactie wilde vervangen.”

Chef buitenland in die periode was Anton Constandse. „Zes keer per week schreef hij een commentaar over de toestand in de wereld. Onder hem werkten vijf redacteuren; zij hadden de wereld onderverdeeld in Rusland, Duitsland en een aantal continentale mogendheden.”

De kranten die Hofland iedere ochtend moest doorspitten waren Le Monde, The Times, The Manchester Guardian en Le Figaro. „Ik knipte artikelen uit, voorzag ze van de initialen van de desbetreffende redacteur en legde het klaar op de bureaus.”

Als jongste bediende bij de krant mocht Hofland ook af en toe zelf een bericht schrijven. „Ik tikte mijn stukjes op een oude Woodstock schrijfmachine. Als het verhaal klaar was, ging het mee met de buizenpost. In een kokertje werd het bericht geklemd, dat gooide je door de buis. In het hele pand waren buizen die leidden naar de zetterij op de bovenste verdieping. Daar werden de teksten uitgeplozen, in lood gezet en werd een proef gemaakt. De gezette berichten gingen daarna weer terug naar de correctie en werden weer door de zetter aangepast. Daarna konden de persen draaien.”

Op 7 mei 1953 schreef Hofland zijn eerste bericht over de besprekingen rondom een mogelijke wapenstilstand tussen Noord- en Zuid-Korea. „De chef opmaak kwam mij het bericht trots tonen. Het was een kort stukje. Op de voorpagina. Het deed me niet zoveel.”

Naast het Algemeen Handelsblad – de krant fuseerde pas in 1970 met de Nieuwe Rotterdamse Courant – zaten ook De Telegraaf, De Volkskrant en De Tijd in het centrum van Amsterdam. Café Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal vormde de spil tussen de verschillende redacties. Hofland liep, vlak na zijn werk, vaak langs het café. „Daar zag ik al die journalisten zitten met glazen bier aan bemorste tafeltjes. Ik was nogal verlegen en durfde er niet bij te gaan zitten. Toch heb ik uiteindelijk de moed verzameld en ben om een uur of vier ’s middags aan een tafeltje gaan zitten. Daar raakte ik in gesprek met beeldend kunstenaar Hans Koetsier. We zijn al snel vrienden geworden.”

In 1955 kreeg Hofland een werkbeurs in de Verenigde Staten aangeboden. „Ik kon een aantal maanden werken bij The Johnstown Tribune in Pennsylvania. Met vrouw en zoon van anderhalf ben ik toen vertrokken. Na een half jaar had ik al zoveel geld verdiend dat we een Volkswagen hebben gekocht en door de VS zijn gaan rijden.”

Na een jaar was het geld op en ging het gezin terug naar Nederland. „Ik weet nog dat we met het vliegtuig laag over de Westergasfabriek vlogen. Ik dacht: dit is een foute beslissing. Wat een snertland. Maar het was al te laat. Toen werd ik weer aangesteld bij de redactie buitenland.”

Een jaar later brak de Hongaarse opstand uit. De chef buitenland vroeg Hofland om ter plekke verslag van de gebeurtenissen te doen. „Ik logeerde in het Duna hotel in Boedapest. De spanningen liepen op. De nieuwe Hongaarse premier had net een persconferentie gehouden en Chroesjtsjov stuurde tanks. Ik zag ze door de straten rijden. Ik ben meteen achter de schrijfmachine gekropen en heb als een gek drie velletjes vol getypt.”

In de lobby van het hotel was één telefoon waarmee nog een verbinding met het buitenland mogelijk was. Een telex was niet aanwezig, een modern faxapparaat bestond nog niet. Verslagen voor de krant moesten mondeling worden doorgeven. „En daar stond Alfred van Sprang, mijn collega van de NCRV, zijn stukje door te geven. Ik gebaarde dat hij, als hij uitgesproken was, de hoorn er niet op moest leggen, de kans was groot dat ik daarna geen contact meer met Nederland kon krijgen. Maar toen hij klaar was, hing hij op, met de woorden: ‘Sorry, macht der gewoonte.’ Wat een lul. Drie A-4tjes down the drain. In de dagen daarna heb ik telkens aantekeningen gemaakt. Een week later ben ik teruggegaan. Bij de krant hebben ze er vervolgens geen geheim van gemaakt dat ik getuige was van de Hongaarse opstand. Ik heb de pagina’s vol mogen schrijven. Maar het was wel achteraf.”

Scheltema was inmiddels de vaste stek van Hofland. Iedere zaterdagochtend kwam hij bijeen met collega’s Rinus Ferdinandusse, Joop van Tijn en Hans Koetsier. „We dronken koffie en bespraken de wereld. Een gezellig onderonsje. Mijn jongste zoon ging altijd mee. Na afloop liepen we met zijn tweeën naar de postzegelmarkt om te kijken of hij nog iets kon vinden voor zijn verzameling.”

Bij zo’n bijeenkomst meldde Koetsier dat de Franse filosoof Jean-Paul Sartre in de stad was. „Hij zei: ‘Jij spreekt Frans, waarom zoeken we de man niet op?’ Ik ben in het café meteen gaan bellen.” Hofland werd doorverbonden en een paar uur later werd het tweetal ontvangen op de kamer van de filosoof in het Doelen Hotel. „Drie uur hebben we zitten praten. Sartre rookte Boyards Maïs, sigaretten zonder filter, extra dik, verpakt in maispapier. Na een uur konden we elkaar door de rook niet meer zien.” De filosoof vertelde over zijn boeken en zijn visie op de literatuur. „Dat gesprek heb ik van A tot Z in de krant geplaatst. Alleen op het laatst ging het mis. Sartre was maoïst geworden en begon ineens over politiek praten. Daar begrepen we niks van. Ik ben het stuk geëindigd met de woorden: ‘Een van de interviewers krijgt sterk de indruk dat hij er geen touw meer aan vast kan knopen, dat hij evengoed naar het nieuws van één uur had kunnen luisteren of een blokje om had kunnen lopen.’”