Hoe groter, hoe beter, alleen: wat moet erin?

In China verrijzen honderden pompeuze musea. Als ze gebouwd zijn is het geld op. Museumdirecteuren uit China bezoeken Nederland deze week met de vraag:hoe run je een museum?

Het Taiyuan Museum in Taiyuan, het Drie Kloven Museum in Chonqing, het China Port Museum in Ningbo. Foto’s Lu Jiansong

„Weet je waarom onze musea de grootste van de wereld zijn? Omdat het bijna altijd statusprojecten van bestuurders zijn, die niets van kunst af weten. Alleen size matters. Hoe groter, hoe beter.”

Ma Weidu zegt het met onverholen minachting. Hij is de presentator van de Chinese variant van Tussen Kunst en Kitsch. En hij heeft eigen musea. Die Guanfu-musea exposeren een deel van Weidu’s beroemde collectie traditionele Chinese kunst en antiek.

Zijn musea zijn relatief klein, niet gratis en worden toch druk bezocht. Dat heeft zeker ook te maken met zijn faam als presentator en expert. Als Ma Weidu in zijn veelbekeken uitzending zegt dat iets mooi of waardevol is, of fake of fout, dan is dat zo.

Wij bouwen, zegt hij, te snel en te veel musea. „Het Nationale Museum in Beijing bijvoorbeeld is het grootste museum van het land, maar de collectie stelt niet veel voor. En dat geldt voor de meeste overheidsmusea.” Zelf opende Ma Weidu in 1997 als eerste verzamelaar zijn eigen museum, een nieuwe trend in China.

In honderden nieuwe steden en wijken verrijzen op het ogenblik naast de hoge flatgebouwen en winkelparadijzen pompeuze musea, theaters, nieuwe kunstacademies en concertzalen. De politieke en culturele fine fleur knipt iedere dag wel ergens een rood lint door voor de ingang van een nieuw museum, vaak in het bijzijn van een beroemde buitenlander.

Er is sprake van een indrukwekkende culturele inhaalslag in de tweede economie van de wereld. „Het volk is gevoed en gekleed en daarom is het nu tijd om de cultuur te ontwikkelen en de spirituele noden te vervullen”, schreef de Global Times, de tabloidkrant van de Communistische Partij van China.

Ze zijn deze week overal: Rijks, Van Gogh, Stedelijk, Boijmans

Maar voor het eerst rijzen er nu ook twijfels over het bouwtempo. De kritiek op de vaak afgelegen locaties in nieuwe wijken van glas en beton en het gebrek aan interessante collecties, exposities en deskundige museumdirecties groeit.

Ma Weidu en vooral de gezaghebbende hoogleraar museologie Lu Jiansong van de Fudan Universiteit in Shanghai oordelen niet mals over de explosie van musea. Een giftig artikel van Lu’s hand in het weekblad Nanfang Zhoumo heeft in de kunstwereld grote beroering gewekt.

De ambtelijke top van de culturele beleidsmakers is inmiddels op zoek naar internationale museale hulp, vooral Nederlandse en Britse. Op uitnodiging van DutchCulture in Amsterdam en het ministerie van Buitenlandse Zaken bezoekt deze week een zware Chinese delegatie van topambtenaren en museumdirecteuren het Rijks, het Stedelijk, Boijmans Van Beuningen, Kröller-Muller, het Haags Gemeentemuseum en het Van Gogh Museum. Het plan is dat Nederland toekomstige Chinese conservatoren en museummanagers opleidt. Ook moeten er tentoonstellingen worden uitgewisseld. Bijvoorbeeld van Van Gogh.

„Onze bestuurders kunnen veel van jullie aanpak leren”, zegt hoogleraar Lu Jiansong. „Politici hier denken dat een museum bouwen net zo makkelijk is als een huis neerzetten. Daardoor zijn tal van musea ongeschikt voor verschillende soorten exposities. Vaak ontbreken ruimtes voor studie, voor opslag en voor publieke activiteiten.”

Het enige wat telt, zegt ook hij, zijn het aantal vierkante meters en de reputatie van de architect. „Musea zijn symbolen van daadkracht van bestuurders die geen benul van cultuur hebben, maar wel carrière willen maken.”

Groter is beter, dus worden bouwbudgetten vaak overschreden. Op tientallen miljoenen euro’s meer wordt niet gekeken. Lu Jiansong: „Meestal is na de officiële opening het budget uitgeput en wordt in de daaropvolgende jaren bezuinigd om de bewakers en de elektriciteit te kunnen betalen. Er is geen geld meer om een conservator aan te stellen, een educatief programma op te zetten of exposities te organiseren. Sommige musea doen denken aan zwembaden zonder water.”

Het Chinese MoMA begon goed, nu zijn er nauwelijks exposities

Neem het Power Station of Art in Shanghai. Het is een prachtig verbouwd fabriekscomplex aan de Huangpu-rivier op het terrein van de Wereldexpo van 2010, maar moeilijk bereikbaar. De opening, een jaar geleden, ging gepaard met een expositie van het Franse Centre Pompidou en een indrukwekkende, drie maanden durende overzichtsexpositie – Portrait of the Times – van 30 jaar contemporaine kunst in China. De media spraken over de opening van het Chinese MoMA en de Chinese Tate Modern. Sindsdien is het akelig stil in het Power Station of Art, op een paar onbeduidende exposities na. Een eigen collectie heeft het museum niet.

Behalve met gebrek aan geld en collecties kampen musea met gebrek aan medewerkers die deskundig zijn, zegt Lu Jiansong. De studenten die door hem worden opgeleid tot managers en conservatoren, komen moeilijk aan het werk. Willen ze bij een overheidsmuseum in dienst worden genomen, dan moeten ze een speciaal ambtenarenexamen afleggen. „En ze moeten over goeie politieke connecties beschikken, die hen aan een baan kunnen helpen.”

Volgens verzamelaar en tv-presentator Ma Weidu moet de museumbezoeker een toegangsprijs gaan betalen. „Een van de grote problemen van de overheidsmusea is dat ze gratis zijn, omdat ze worden betaald met belastinggeld.” Behalve dat dit slecht is voor de balans, krijg je ook alle pensionado’s uit de buurt over de vloer. Die komen in het museum hun dagelijkse gymoefeningen doen of gaan in het cafetaria kaarten of mahjongen. Als in de bloedhete zomermaanden de airco aanstaat, komen complete families verkoeling zoeken. „Zet je de airco af en dim je de lichten om hen weg te krijgen, dan gaat het snel stinken en ontstaat er tumult.”

Zoals het nu gaat, kun je dus maar beter je eigen museum beginnen

Het punt is, zegt hoogleraar Lu Jiansong, dat de directies van overheidsmusea en hun conservatoren helemaal niets te vertellen hebben. De beslissers zitten elders.” Dat is de belangrijkste reden dat verzamelaars als Ma Weidu, het puissant rijke echtpaar Liu Yiqian en Wang Wei en de Chinees-Indonesische zakenman Tek Yuz in Shanghai hun eigen musea hebben geopend en hun verzamelingen niet onderbrengen in overheidsinstellingen.

Vastgoedmiljardair Liu Yiqian en kunsthistorica Wang Wei bezitten de grootste particuliere collectie moderne westerse en Chinese kunst, naast revolutionaire en klassieke Chinese kunst. Liu kocht onlangs nog een minuscuul porseleinen Ming-kopje voor 36 miljoen dollar, dat in de loop van dit jaar een plaats zal krijgen in hun pas geopende Long Museum.

Volledig baas in eigen huis zijn de rijke kunstverzamelaars niet, net zo min als kunstenaars en schrijvers vrij zijn van de bemoeienis van de Communistische Partij van China, de centrale dirigent van de smaak. Culturele ontwikkeling wordt gestimuleerd, kunst mag losstaan van de maatschappij en de politiek, maar de overheid volgt nauwlettend of er geen grenzen worden overschreden. Voor iedere expositie, ook van buitenlandse collecties, is goedkeuring nodig. Controversieel, politiek en provocerend of te naakt werk blijft voor het publiek daardoor onzichtbaar.

Ai Weiwei of het schilderende echtpaar Sun Yuan en Peng Yu zal je ook in het Long Museum in Shanghai-Puxi niet uitgebreid tegenkomen. Directeur van het Long Museum Huang Jian, een kunsthistoricus, zegt over de bemoeienis – lees: censuur – van de overheid dat de grenzen altijd onduidelijk zijn. „Maar wij zijn Chinees. Wij werken en leven hier, wij zijn ons bewust van onze omgeving. We zullen onze kunstwerken nooit gebruiken om een onnodige botsing met de overheid te veroorzaken. Werken met een puur politieke inhoud of heel veel bloot zullen we altijd mijden.”