Een prachtsigaar uit eigen doos

Op zijn 75ste komt dichter H.C. ten Berge met een verzameling van de poëzie die hij schreef tussen 1993 en 2013. Het is een sierlijke bekroning van een groots dichtersschap.

Tekening Paul van der Steen

Sinds H.C. ten Berge enkele decennia geleden naar het oosten van Nederland verhuisde, is de natuur een toenemende rol gaan spelen in zijn poëzie. Als decor in langere gedichten, maar ook als onderwerp in ‘notities’, ‘observaties’ en ‘kleine waarnemingen’. Onder die laatste titel vinden we vijf natuurimpressies in zijn nieuwe bundel Kerven, kastijdingen. Die bundel beslaat de laatste vijfenzeventig pagina’s van Cantus Firmus, een verzameling van Ten Berge’s poëzie uit de periode 1993-2013.

Vijfenzeventig pagina’s nieuwe poëzie van een 75-jarige dichter. Een feestsigaar uit eigen doos, maar ook de sierlijke bekroning van vijftig jaar dichtersschap. In de poëziekritiek is Ten Berge vaak marginaal behandeld, maar Cantus Firmus en het in 1993 verschenen Materia prima (gedichten 1963-1993) bewijzen het ongelijk van de criticasters. Van meet af aan speelde en speelt deze dichter een intelligent en poëtisch hecht doortimmerd spel. Daarbij wordt volop gezongen, want klank is een belangrijke drijfveer in Ten Berge’s werk. De exotische en mystieke elementen suggereren dat dit moeilijk toegankelijk is, maar dat geldt slechts ten dele. Als principieel modernist hanteert Ten Berge zowel intellectuele als volkse taalregisters. Hij speelde leentjebuur bij Ezra Pound en diens volgelingen, maar ook bij de orale vertelcultuur.

En dan zijn daar zijn eerder genoemde natuurimpressies. Die zijn zo herkenbaar als de rechtstreekse beeldtaal van Chr. van Geel (1917-1974). Neem het zevende vers van de cyclus ‘Corvus corone corone’. De Latijnse titel is verre van uitnodigend, maar Ten Berge’s impressies zijn niet die van een geleerde naturalist. Hier wordt eenvoudigweg goed gekeken en scherp genoteerd.

Twee hazen te midden van schapen

Die grazen en staren, hun malende kaken

Verbazen de rouwstoet van deftige

Schoksgewijs stappende kraaien.

Het mag niet verbazen dat een 75-jarige zijn waarnemingen steeds meer aan vergankelijkheid koppelt, ‘Bemoste letters’ wordt dan de titel van een vers, en in ‘Dansmeester Dood’ herneemt de dichter terugblikkend een vers uit zijn bundel Swartkrans (1966). Oorlog, pest en kou zijn de dodelijk ingrediënten daarin. In metaforische zin dodelijk ook zijn Ten Berge’s terugblikken op de liefde, of het gesuggereerde verlies daarvan.

De titel Cantus Firmus is ontleend aan een achttiendelige cyclus uit de bundel Oesters & gestoofde pot (2001). ‘Het is herfst of bijna winter’, luidt de beginregel van de reeks, en daarmee is de topos van het verval gezet. Het vijfde vers citeert de openingsregel uit Coleridge’s ‘Frost at midnight’. ‘De vorst regeert in het geheim.’ Die regel verwoordt de geslotenheid van het huis, en het gezicht van de geliefde.

Tegen het einde van de reeks neuriet de lyrische ‘hij’ toepasselijke regels uit het werk van Hadewijch, maar de reactie van zijn geliefde is negatief. ‘Ik ga hier weg,’ zei ze, ‘Blijf jij maar / zingen zonder mij. / Ik kan uit stro geen gouddraad spinnen.’

Lyriek, vertelkracht en steelse humor bundelen zo samen. In toenemende mate met een melancholische ondertoon. ‘Winters’ is een treffend etiket voor Ten Berge’s latere werk. Die typering is niet definitief verkillend. ‘Gedicht voor december’ beschrijft het jaargetij van de kou als een ‘rite de passage’, dus als welkome gast.

Laat de winter nu komen

die geesten verlicht of verjaagt,

die het luik van de angst zal vergrendelen,

de terp van vertwijfeling slecht.

Laat nieuwe tijden nu komen,

laat eeuwig heden een dag lang bestaan.

De tijd zal vergaan als het leven begint;

de wind drijft de sneeuw voor ons uit.

Hier spreekt een optimist. Maar dan, in de afdeling ‘Dansmeester Dood’, krijgt zwartgalligheid weer de overhand. ‘Hoe het is om nu te leven’ heet een driedelige cyclus. ‘Hoe het is om nu te leven - / door verleugening en kromspraak / uit de taal verjaagd te worden,’ formuleert het eerste vers. En ook in de volgende twee gedichten is de taal het slachtoffer van een ontheemde samenleving ‘Hoe het leven is / ligt in versteende metaforen opgeslagen, / het spreekt de taal van open deuren, / platitudes voor de linker- of de rechterhand.’

Zo’n samenleving vraagt om wraak, en die krijgt ze in de slotcyclus van Cantus Firmus. ‘Zeven balladen’ heet die reeks, waarin de melancholicus zich ontpopt als een meester-verteller die nieuwe taal geeft aan traditionele vertelkunst. Ten Berge vermeldt de herkomst in zijn ‘Aantekeningen’ achter in de bundel. De balladen zijn hertalingen van Europese sprookjes en Arctische mythen. Soms zijn ze heel herkenbaar, zoals de ‘Ballade van de hoogmoed’, waarvan de Piggelmee-versie in de jaren vijftig van de vorige eeuw in ons land publieke vertelstof was. Maar andere lijken volslagen nieuw, zoals ‘Ballade van de lintworm’ en ‘Ballade van wellust & eeuwig wee’.

In de laatstgenoemde trekt Ten Berge alle taalregisters, dus ook de vulgaire, breed open. Het verhaal begint zonder omhaal. ‘Omwolkt door feromonen hakte Oude Specht / zich door het leven. Vrouwen zwermden / om hem heen, // Sodeju, hoe moest het verder / nu hij de dood al onder ogen en nog steeds / een woud van rondingen en wilde lijven zag.’ Hier klinkt meteen al de vervrolijking die zo’n vertelling als deze in de iglo op Groenland en in Noord-Canada teweeg kon brengen. Oude Specht ontmoet Charlot uit Gent, en dan zingt de bard:

Een schemerdonker interieur, hij kon

van buiten af geen hand voor ogen zien,

‘Wat wil je, mop?’

‘U voelen, kanjer, diep in mijn flamoes –

O schat, doe er wat aan!

Laat die roomsoes smelten op uw tong.

Ge zijt mijn hond, ik ben uw teef.’

Specht was met haar lot begaan.

Mijn god, een hete meid, dacht hij,

ze spreekt de taal van deze tijd, mijn bloed

gonst rond, een roest stijgt op,

dat ik dit op mijn oude dag beleef!

Met Specht loopt het daarna niet goed af. Maar Ten Berge leeft! Dat een vaderlandse dichter dit op zijn oude dag uit de pen krijgt, en dat wij lezers het mee mogen beleven. Wie nog altijd mocht denken dat H.C. ten Berge een ontoegankelijke intellectuele dichter is, moet zich in Cantus Firmus verdiepen.