Dreigende verwikkelingen rond een Londense bananenkoning

Het decor: de volkswijken in het oosten van Londen, 1948. De puinhopen die het gevolg zijn van Duitse bombardementen zijn nog lang niet opgeruimd. In een vervallen woonkazerne proberen drie echtparen het hoofd boven water te houden. Ze komen allemaal van elders: Michael en Mary uit Birmingham, Clarence en Bernadette uit Jamaica, Solly en Dora uit Danzig. De mannen werken op de markt van Columbia Road (waar Clarence bekend staat als de Bananenkoning), de vrouwen proberen het huishouden gaande te houden, de kinderen spelen tussen het puin.

De drukte, de armoede, de krappe behuizingen, de zwaarte van het verleden – Tobias Hill (1970) weet het allemaal op sfeervolle wijze op te roepen in zijn nieuwe roman, zijn vijfde, die van de Nederlandse uitgever de stroeve titel Dat het goed komt heeft meegekregen. Hill switcht van het ene gezin naar het andere zonder dat je de draad kwijtraakt, en heeft een prettige stijl.

Zijn dialogen klinken naturel, omdat er veel in ongezegd blijft, en zijn beelden en vergelijkingen zijn raak, zonder dat ze teveel aandacht trekken. Knap is ook hoe hij de wereld van de kinderen voorziet van een onderhuidse dreiging, die vooral wordt veroorzaakt door de weesjongen Pond, een onbestemd, bijna dierlijk personage, die opeens opduikt tussen de ruïnes en misschien meer weet over de met messteken omgebrachte mannen die daar zijn aangetroffen. Die dreiging verdwijnt enigszins als het verhaal halverwege de roman twintig jaar vooruitspringt. Het deel dat zich in 1948 afspeelde, culmineerde in een ongeluk waarin marktkoopman Michael op de vlucht voor de politie de vrouw van de Bananenkoning doodrijdt, en in het tweede deel leren we hoe het de personages verder is vergaan. Dat dodelijke ongeluk voorziet de roman wel van de nodige eenheid, ondanks de tijdsprongen (er is ook nog een kort derde deel dat in 1988 speelt), maar heeft toch net te weinig centrifugale kracht om alles bijeen te houden. En het is dapper dat Hill de verhaallijn van de weesjongen Pond van een happy ending voorziet, maar daardoor wordt de spanningsboog die werd opgeroepen door de geheimen die dit personage omringden wel érg abrupt afgebroken.

Dat het goed komt is een mooie roman met een scala aan overtuigende personages, maar je vraagt je wel af of het boek niet nog sterker was geworden als Hill dieper had durven afdalen in het personage Pond.