Bewoners van rijtjeshuizen leven knus samen, en alleen

Individualisme en conformisme gaan in nieuwbouwwijken een gelukkig huwelijk aan. Kijk goed, want elk rijtjeshuis is echt anders.

Rijtjeshuizen in Emmerhout in Emmen, de eerste wijk met woonerven in Nederland, omstreeks 1970 foto Luuk Kramer

Dat iemand in een rijtjeshuis woont, wil nog niets zeggen. Zes op de tien Nederlanders wonen in een rijtjeshuis. Als het om een jaren-dertig-huis in een tuinwijk in Zeist gaat, zal de bewoner nooit van bezoekers te horen krijgen: ‘Ik zou hier écht niet kunnen wonen’, zoals Pieter Hoexum, auteur van Kleine filosofie van het rijtjeshuis, wel overkomt. Evenmin zal het hem gebeuren dat hij, zoals Hoexum, zijn sleutels in de verkeerde voordeur steekt nadat hij zich in de straat heeft vergist.

Het rijtjeshuis van Hoexum staat in een nieuwbouwwijk – in Purmerend, moeten we hier genadeloos aan toevoegen. De correcte titel voor zijn boek zou daarom ‘Kleine filosofie van het rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk’ moeten luiden, maar je kunt het een uitgever niet kwalijk nemen als hij daar geen heil in ziet.

‘Net als de meeste bewoners van deze wijk ben ik hier eigenlijk alleen maar komen wonen omdat ik in Amsterdam geen betaalbare woning kon vinden’, schrijft Hoexum. Een nieuwbouwwijk is niet het paradijs op aarde, geeft hij toe, maar hem hoor je niet klagen. ‘Gelukkig hij die met zijn lot tevreden is’ – dat lijkt me zijn lijfspreuk. Bij herhaling wijst hij op het toevallige, het betrekkelijke van een woning en een woonplaats: ‘Wonen moet niet geromantiseerd worden en verhuizen niet gedramatiseerd.’ Het heeft iets willekeurigs waar je je vestigt, en mocht het tegenvallen, dan verhuis je gewoon. ‘Thuis’ is hoe dan ook wat je er zelf van maakt.

Neutraal

Hoexum is als ‘import’ niet gehecht aan zijn woonomgeving, niet in traditionele zin geworteld, maar dat ziet hij juist als een voordeel: ‘Om je ergens werkelijk thuis te kunnen voelen moet de omgeving tot op grote hoogte neutraal zijn.’ Met genius loci – ‘de geest van de plaats’, in de architectuurtheorie het principe dat bewoners zich moeten kunnen identificeren met de unieke atmosfeer van de omgeving – heeft hij niet veel op; hij gaat zelfs zo ver verknochtheid aan een locatie nogal lichtvaardig te verbinden met Blut und Boden. Maar tabula rasa – ‘de schone lei’, het stedenbouwkundige ideaal van zand erover en opnieuw beginnen – is natuurlijk het andere uiterste; het gaat erom het juiste midden te vinden.

De middenpositie is Hoexum op het lijf geschreven. Achtereenvolgens behandelt hij een aantal uitersten die in het rijtjeshuis een gelukkig evenwicht vinden. In een villa leef je in een isolement, in een flat zit je op elkaars lip; de bewoners van rijtjeshuizen daarentegen zijn ‘samen alleen’, wat recht doet aan onze natuurlijke neiging een gemeenschap te vormen én ons af te zonderen.

Hoexum ziet ook een balans tussen de strakke orde van de grootschalig opgezette nieuwbouwwijk en de wanorde van de rijtjeshuizen, die enkele jaren na oplevering allemaal op een verschillende manier verbouwd zijn. De ontmoedigende monotonie die critici in nieuwbouwwijken menen te zien, berust volgens hem op oppervlakkige waarneming. Als je maar goed genoeg kijkt, dringt de persoonlijkheid van de bewoners bij ieder huis naar buiten. De kern van zijn betoog is dat individualisme en conformisme in de nieuwbouwwijk een gelukkig huwelijk aangaan.

Pieter Hoexum (Meppel, 1968) schetst ook een beeld van het dagelijks leven dat hij in zijn Vinex-wijk leidt. Hij is in de eerste plaats huisman, met de zorg voor twee schoolgaande kinderen en het huishouden, terwijl zijn vrouw een drukke baan heeft. Op de tweede plaats is hij freelance publicist (hij studeerde filosofie).

Verlichting

We krijgen bovendien een indruk van zijn karakter: hij is erg gesteld op gewoonten en sleur, en gaat voornamelijk op vakantie om met een zucht van verlichting weer thuis te komen. Hij is bescheiden, zozeer zelfs dat hij zijn eigen boek ‘als het ware wat voetnoten of kanttekeningen’ noemt bij Het rijtjeshuis. De geschiedenis van een oer-Hollands fenomeen van Bernard Hulsman en Luuk Kramer.

Wat vooral opvalt is zijn flegmatische temperament, dat spreekt uit opmerkingen als: ‘Over het algemeen lijkt enthousiasme me eerder iets om in toom te houden dan je aan over te geven’. Om een of andere reden kostte het me weinig moeite me Hoexum in een Vinex-wijk voor te stellen.

Eerlijk gezegd begon de lofzang op het alledaagse en op de gulden middenweg langzaam op mijn zenuwen te werken. Het heeft ook iets kokets. En er zit een normatief aspect aan. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg,’ schrijft Hoexum expliciet, en non-conformisme is voor hem ‘aanstellerij’.

Maar laat ik voorop stellen dat zijn boek van begin tot eind goed geschreven is, met subtiele humor. Bij nader inzien moet ik Hoexum zelfs complimenteren met de irritatie die hij bij me opwekte, want het betekent dat hij erin geslaagd is een prikkelend boek over een doorsnee-onderwerp te schrijven. Hij belijdt zijn burgerlijkheid met het elan van een onruststoker, waarmee hij meteen zijn gelijk bewijst: originele geesten vind je net zo goed in het stramien van de nieuwbouwwijk.