Zeeuws nazomerlicht betoverde Mondriaan

Kunstenaar Loek Grootjans zocht uit waarom het licht in september zo schittert op de zee bij het Zeeuwse Domburg.

Foto Kröller-Müller Museum, Otterloo

Als de jonge Piet Mondriaan in 1905 de grote overzichtstentoonstelling met werk van Vincent van Gogh ziet in het Amsterdamse Stedelijk Museum, raakt zijn wereld op drift. Mondriaan, op dat moment nog volledig onder invloed van de Haagse School, ziet voor het eerst hoe kleuren naast elkaar kunnen worden gezet.

Begin september 1908 arriveert Mondriaan in het Zeeuwse Domburg. Wat doe je als je een zomerdag in de trein hebt gezeten? Je loopt het duin op en kijkt naar de zee.

Volgens kunstenaar Loek Grootjans (1955, Arnemuiden) raakt Mondriaan aan de kust bij Domburg in de ban van het fenomenale Zeeuwse licht. Zijn werk verandert „onmiddellijk”, zegt Grootjans, die jarenlang gepassioneerd onderzoek deed naar De Zaak Piet Mondriaan en dit onderzoek nu afsluit met een eerste tentoonstelling in de Kabinetten van de Vleeshal in Middelburg.

De sombere kleuren van de Haagse school worden afgezworen. Kleur doet haar intrede, samen met heel veel flonkeringen van licht. Mondriaan schildert bij verschillende weersgesteldheden en op verschillende tijdstippen. Hij schildert de kerk van Domburg, de vuurtoren bij Westkapelle, de duinen en vooral de zee.

Op een schilderij als Zicht vanaf het duin met strand en pier, Domburg – gemaakt in 1909 en nu in de collectie van het MoMA in New York – tintelt het alsof de kleuren in een draaikolk zijn geraakt en het onderwerp er niet meer toe doet. „De omhooggaande weg, van de stof af”, noemt Mondriaan dat in een brief uit 1909.

Waarom ziet Mondriaan dat licht uitgerekend daar en niet aan de kust voor Zandvoort of Katwijk? Wat voor mysterie kleeft er aan het Zeeuwse licht? Grootjans besluit het licht dat Mondriaan gezien moet hebben, te gaan ‘verzamelen’. Tweeënvijftig keer ging de kunstenaar het afgelopen jaar naar Domburg om water uit zee te scheppen, te bottelen, en een deel ervan te laten verdampen op petrischalen. Hij bestudeert zeekaarten, getijdenbewegingen, zeestromen en maakt duizenden foto’s vanaf de plek waarvandaan Mondriaan naar zee keek.

Vier stromingen komen voor de kust bij Domburg samen, zo laat Grootjans zien. Die vier stromingen zorgen vlak voor de kust bij Domburg voor een enorme werveling van water. De zoutkristallen in het water komen omhoog en worden de lucht in geslingerd. Als de temperatuur van het zeewater stijgt, dan groeien de zoutkristallen.

Uitgerekend in de week dat Mondriaan in Domburg aankomt, zijn de zoutkristallen het grootst, ontdekte Grootjans: soms wel een halve centimeter. Die grote kristallen weerkaatsen het zonlicht en zorgen voor de schittering, de beroemde voile die over de golven bij Domburg ligt. Die fonkelende sluier beneemt Mondriaan, en vele andere kunstenaars met hem, de adem. Het is daar dat Mondriaan zegt: „In de zee ligt mijn toekomst.”

En die toekomst ligt bij latere meesterwerken als Pier en Oceaan, die Mondriaan tussen 1914 en 1915 in veel variaties schildert. Sommige versies daarvan lijken met het onderzoek van Grootjans in je achterhoofd op de petrischalen vol zoutkristallen die nu te zien zijn in een even serene als esthetische presentatie.

Hoe mooi zou het zijn dit onderzoek naast de echte werken van Mondriaan te tonen, bijvoorbeeld in het Haags Gemeentemuseum dat de grootste collectie Mondriaans ter wereld bezit.