Oom Piet is dood, Ik Jan Cremer leeft

Joyce Roodnat

Over: Ik Jan Cremer; VA Wölfl; Pina Bausch; ‘Út’ van Krisztina de Châtel; Una via a Palermo.

Mijn oom Piet wilde wel eens weten waar al die heisa op sloeg. Hij kocht Ik Jan Cremer en begon te lezen. Woedend werd hij ervan. Zo woedend dat hij in zijn auto stapte (hij had al een auto, wij nog lang niet), naar de haven reed en het boek in de zee gooide.

Ik was klein toen ik dat verhaal hoorde. Pas later zag ik het voor me: die grote man, de couperose op zijn wangen paarser dan anders, het boek in zijn hand. Dat boek mocht niet bestaan, nee, hij verdroeg de werkelijkheid niet waar het in voorkwam.

Plons. Weg. En toen?

51 jaar later. Oom Piet is dood. Ik Jan Cremer is er nog.

In de schouwburg opent het dansfestival Julidans met een stuk van de Duitse VA Wölfl, zonder punten. Tuttut. De titel is me te overgewichtig: Chor(e)ographie/Journalismus: ‘kurze stücke’ (ja, met s-onderkast). Toe maar.

De dansers komen op. Slijtplekken in hun glitterkleren, cowboyhoeden reduceren hun gezichten tot een kin. Een man, ook met zo’n hoed, komt naarvoren. VA Wölfl. Hij spreekt ons toe en gedenkt Pina Bausch. Bij haar naam gaan de dansers met een mooie zwiep door de knieën en kussen de vloer. Vind ik mooi. Intussen vertelt hij ons dat we mogen schreeuwen als we het met zijn voorsteling niet meer uithouden. Vind ik onzin.

„Ahrgh!” – de eerste schreeuw komt al na een minuut of tien. Mooie stem, even denk ik dat hij bij de voorstelling hoort. Maar de stem brult „kútvoorstelling!” en de bijbehorende man banjert de zaal uit. Opstappen is aanstekelijk, er vertrekt gedurig publiek, al dan niet tierend.

Wat vind ik van de voorstelling? Goed? Flauwekul? Allebei?

Ik aarzel, ik vrees dat ik die tableaux extra-vivants briljant vind. Maar meen ik dat nou?

O, nu is er een danseres die zich letterlijk blootstelt aan een vloedgolf gifgele tennisballen. Haar dunne rug is hoog, gekromd deinst ze achteruit, bekogeld en zwikkend. Wat een onwaarschijnlijk beeld.

En die wegloperij vind ik leuk, die hoort erbij. Want laten we wel wezen, VA Wölfl vróég in zijn openingsspeech om rumoer. Wie schreeuwde dacht misschien dat hij zijn hoogstpersoonlijke ergernis de vrije loop liet, maar eigenlijk deed hij braaf wat de kunstenaar van hem verlangde.

Die roemde Pina Bausch niet voor niets als zijn voorbeeld. Zij baarde het revolutionaire Tanztheater, waar alles kan, waar alles moet. Voor iedereen.

Pina Bausch. 1982. „Und die Pina hat gefragt…” In de piste van het Amsterdamse Carré voerden haar dansers de fantasieën uit die zij bouwde op hún obsessies. Zandtaartjes bakken. Rondlopen in zwembroek en snorkel. Wat niet al. „Niet lullen, dánsen!” werd er gegild en de mensen holderdebolderden bij tientallen de zaal uit. Naar de afgrond, denk ik, en dat komt door de film Una via a Palermo. Die begint met een shot van een vrouw op haar buik op een graf. Ze wil dood, vergeet dat niet als ze komisch het verkeer blokkeert, in haar auto in een steeg.

Hij besluit met weghollende mensen. Waar naartoe? In de slottitels worden ze bedankt als de figuranten op weg naar de afgrond. Weglopen is de hel.

Een stel stratenmakers legt een klinkerweg. Een troepje danseressen bouwt luchtkasteeltjes met de zware stenen. Dit is Út (Oet). Ik kijk en ik zie de denkwolkjes boven het hoofd van choreografe Krisztina de Châtel. Die meiden en die mannen, zo anders, never the twain shall meet. Maar De Châtel vertraagt hun bewegingen en ze gooit er onverschrokken ‘Summertime’ van Ella Fitzgerald tegenaan. Sentimenteel? Dat dreigt, maar toch niet. De werkmannen en de dansmeiden delen hun kracht en daarmee hun intimiteit. Ze tarten het fundamentele wederzijdse onbegrip dat ieder liefdespaar bedreigt.

Kunst is onverslaanbaar. Je kunt het weggooien. Je kunt zelf weggaan. Maar achter je rug gaat het gewoon door. Het is niet te stoppen. Dus trap er maar in.