De schoonheid van een zwerfkei

Centre Pompidou-Metz stelt eenvoudige, archetypische voorwerpen tentoon. Een politiek incorrecte expositie, zegt de directeur. Over schoonheid en verwondering in een tijd van economische en sociale crisis.

Een kop van een cycladische vrouwenfiguur uit het Griekse Kéros belandde in 1873 in het Louvre. Een gladde, marmeren ovaal van 27 centimeter hoog, met een scherp uitgesneden, kegelvormige neus, een afgeplatte bovenkant en een ranke hals. Het beeld, gedateerd tussen 2700 en 2300 v.Chr. en te zien op de tentoonstelling Formes simples in Metz, is vrijwel volledig abstract en toch direct herkenbaar als kop.

Veel jonge kunstenaars, onder wie Brancusi, Giacometti, Modigliani en Picasso, werden gegrepen door de zwijgzame raadselachtigheid van de archeologische vondsten van de cycladische idolen. De eivormige hoofden van Brancusi, rustend op hun zij, lijken direct van de Kéros-kop te zijn afgeleid. In Metz ligt een gipsen exemplaar van Brancusi uit 1917, De slapende muze II.

In dezelfde laat 19de-eeuwse periode waarin de cycladische beelden werden ontdekt, ontwikkelden ingenieurs nieuwe productiemethoden, die zouden leiden tot een revolutie in de toegepaste kunst en in de bouwkunst en tot een vereenvoudiging van vormen. De Eiffeltoren, 1889, is er een bekend voorbeeld van. Scheepsbouwer Frédéric Sauvage vond de spiraalvormige scheepsschroef uit, die het schoepenrad zou vervangen. Niet lang daarna leverde de scheepsschroef het model voor de propeller, die werd toegepast bij de ontwikkeling van vliegtuigen.

In 1912 bezocht de Franse kunstenaar Marcel Duchamp samen met Brancusi en de schilder Fernand Léger de Salon de la Locomotion Aérienne in Parijs. Bij de aanblik van een ranke vliegtuigpropeller concludeerde Duchamp: „Het is voorbij met de schilderkunst. Wie kan nog iets beters maken dan deze propeller?”

Jaarlijks maakt het Centre Pompidou in Metz een multidisciplinaire tentoonstelling die beoogt een nieuwe blik te werpen op de kunstgeschiedenis, gedacht vanuit de 20ste-eeuwse kunst. Dit jaar is het Eenvoudige vormen, samengesteld door Jean de Loisy, directeur van Palais de Tokyo in Parijs. Het uitgangspunt van de tentoonstelling: hoe komt het dat eenvoudige, archetypische vormen, nadat ze eeuwenlang uit de westerse kunst waren verdwenen, aan het einde van de 19de eeuw terugkeren, om vervolgens een sleutelrol te spelen in de moderne kunst?

Naast archeologische vondsten en de effecten van industriële productiemethoden besteedt Formes Simples aandacht aan de fascinatie van kunstenaars voor vormen in de natuur. De architect Le Corbusier bezat een uitgebreide stenenverzameling. Een gladde strandkei, een ei, een schelp, een golf, een planeet, het zijn evenzovele perfecte en ‘kosmische’ vormen, zoals de beeldhouwer Jean Arp het noemde. Ze komen terug in zijn sculpturen en reliëfs. Man Ray maakte een zwart-witfoto van een glanzend wit struisvogelei op een donker tafelblad. Alberto Giacometti antwoordde op de vraag naar wat kunst is: „Dat is een witte schelp in een waskom.”

En zo voert Formes Simples langs geometrisch tantrische tekeningen uit Rajasthan in India, een Griekse grafsteen met een reliëf van een amfoor uit de 4de eeuw en Japanse keramiek uit de 7de eeuw, naar bloementekeningen van Ellsworth Kelly uit de jaren zestig en wazige zeelandschappen uit de jaren negentig van de fotograaf Hiroshi Sugimoto. Het parcours is ingedeeld naar thema’s als de maan, wiskundige vormen, natuurlijke en biomorfe vormen, menselijke silhouetten en dierlijke silhouetten.

Lopend door de tentoonstelling dringt zich steeds meer de vraag op: bestaat er wel zoiets als een eenvoudige vorm? Veel van de getoonde objecten zijn verre van eenvoudig. Neem de laurierbladvormige bijl van silex, 28 cm, gevonden in Saône-et-Loire en gedateerd 22000-17000 v.Chr. Die is wat betreft de omtrek misschien eenvoudig te noemen, maar het oppervlak van de geelwitte vuursteen bestaat uit een beweeglijk en complex patroon van weggebeitelde flinters.

‘Enkelvoudig’ is in dit geval een betere vertaling van het Franse woord ‘simple’. De geëxposeerde voorwerpen zijn niet samengesteld, ze kunnen niet in kleinere delen worden opgedeeld. Het zijn elementaire vormen die niets overbodigs hebben. Evenmin zijn het fragmenten uit een groter geheel. Ze kunnen niet worden verbeterd, ze zijn in zichzelf noodzakelijk, berusten in zichzelf. Dit maakt ze biologerend, je kan er heel lang naar kijken, er gaat rust vanuit, sereniteit. Ze zijn volmaakt.

Formes simples biedt een romantische en ouderwetse visie op de moderne kunst. Laurent le Bon, directeur van Pompidou-Metz, noemt zelf de tentoonstelling „zeer politiek incorrect”, omdat het gaat over schoonheid en verwondering in een tijd van economische en sociale crisis. Inderdaad is hier geen sprake van een maatschappelijk engagement, geen boodschap, geen betoog. De vraag die het uitgangspunt was, naar het ‘waarom’ van de terugkeer van eenvoudige vormen in de moderne kunst, blijft onbeantwoord. En een nieuwe blik op de kunstgeschiedenis biedt de expositie ook al niet.

Misschien is het gegeven dat de getoonde voorwerpen grote schoonheid bezitten wel eens genoeg. Prachtig is het witte struisvogelei, regelmatig bezaaid met kleine putjes. Een azuurblauwe glazen lelievaas uit Iran (18de, 19de eeuw) heeft een ultradunne, gewelfde hals met een kelkje aan het eind. Susanna Fritschner, een jonge Weense kunstenaar, blies een vorm uit kristal van maximale grootte, een ijle wolkige bel van 76 cm lang. De Chinese kunstenaar Charwei Tsai trok met zwart aquarelpotlood een cirkel die in een 56 seconden durende video oplost in water.

Een van de allereenvoudigste werken is een spiegelende zwarte plaat van glasvezel en kunsthars (1999, 240×44 cm) van John McCracken, als een gedenkteken rustend tegen de muur. We zijn met Formes Simples even ver weg van iedere crisis.