De mondige burger mag de stad gaan maken, al is onduidelijk hoe

Gemeenten geloven in de participatiesamenleving, zo blijkt uit de lokale coalitieakkoorden. De vraag is of dat geloof is gebaseerd op meer dan geldgebrek.

Zutphen vraagt zijn inwoners zelf stadsboomgaarden en moestuinen aan te leggen. Zoetermeer vraagt hondenbezitters bij het uitlaten extra goed op verdachte zaken te letten. Oldebroek ontwikkelt een burgerbegroting. En Rotterdam stelt een ‘burgerjury’ samen die het beleid van het stadsbestuur moet beoordelen.

De verzorgingstaat verandert in een participatiesamenleving, was de boodschap in de vorige Troonrede. Gemeenten nemen die zeer serieus, blijkt uit een analyse van zestig coalitieakkoorden, waaronder die van de tien grootste steden. Burgerparticipatie is een belangrijk thema in vrijwel alle akkoorden.

Het gros van de akkoorden presenteert burgerparticipatie als vaststaand feit: mondige burgers die niet afwachten maar aanpakken, die geen hulp behoeven maar juist hulpvaardig zijn. Zo willen „particulieren” in Zwolle „steeds vaker” een „bouwinitiatief ontwikkelen”. Hagenaren willen „actiever betrokken zijn bij hun leefomgeving”. En Bredanaren nemen volgens de gemeente het „heft in handen”: zie „de vele initiatieven” als „stadslandbouw” en „bewonerscoöperaties die zelf investeren in het opwekken van duurzame energie”.

Gemeenten zien voor zichzelf vooral de rol weggelegd van aanjager. Het „stimuleren” en „ondersteunen” van „actieve burgers”. Breda trekt jaarlijks een miljoen euro uit voor „wijkinitiatieven”. Tilburg stelt „accommodaties” beschikbaar voor „maatschappelijke activiteiten”. Mantelzorgers worden financieel ondersteund (Den Haag, Breda) en anderszins: zo wil Heiloo graag een tweede woning op een kavel kunnen bijbouwen. Dan woont de mantelzorger dicht bij de zorgbehoevende.

Gemeenten sturen ook aan op meer burgerlijke inspraak en zeggenschap – noem het bestuursparticipatie. Wijkbewoners die zelf budgetten beheren (Woerden), burgers die in „stadsgesprekken” hun ideeën delen met lokale bestuurders (Utrecht). En wethouders en ambtenaren worden geacht de wijken in te gaan om met burgers van ideeën te wisselen. In Almere heten ze „contactwethouder”, in Zwijndrecht „wijkwethouder”, in Wijdemeren „kernwethouder”. In Amsterdam gaan „bestuurscommissies” de wijken in, in Súdwest-Fryslân „gebiedsteams”.

Gemeenten zijn dus klaar, voor die participatiesamenleving.

Omwentelen kost tijd

De vraag is: zijn de burgers er ook klaar voor? De optimistische woorden in de lokale akkoorden botsen met de scepsis van, onder anderen, directeur Kim Putters van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Familie kan de zorg voor ouderen en zieken volgens hem niet goed op zich nemen: „Kinderen wonen vaak ver weg en hebben veeleisende banen”, zei hij vorige maand tegen deze krant. En: „Buren hebben niet altijd zin, of zijn zelf oud.” De SCP-directeur denkt dat „nieuwe vormen van zorg” en „nieuwe omgangsvormen” een omwenteling vergen die nog „een jaar of vijf, zes” duurt.

Vijf of zes jaar: dat is voorbij de horizon van de lokale coalitieakkoorden (2014-2018). Maar daarin vindt de scepsis à la Putters – eerder ook geuit door de Amsterdamse Rekenkamer en patiëntenkoepels – alleen bij uitzondering weerklank. Almere kiest voor „de kracht van inwoners als vertrekpunt”, maar noemt dat tegelijk een „wezenlijke cultuurverandering”. Toch zet zelfs Almere vol in op aanboren van participatie. Het credo: „Van maken van de stad naar laten aan de stad.”

Feit is: Almere en 402 andere gemeenten móéten meer bouwen op de burger. Utrecht schrijft het kraakhelder op: „De gemeente kan niet meer vanzelfsprekend alles voor de bewoners regelen en financieren, omdat de gemeente minder geld tot haar beschikking heeft.” Uit de coalitieakkoorden komt, naast de participatiesamenleving, één ander dominant ingrediënt naar voren: geldgebrek. De crisis dreunt na, iedereen bezuinigt. In Amsterdam, Utrecht, Weert en Zwartewaterland willen bestuurders gebouwen afstoten. Almere en Maastricht hebben colleges ingekrompen: één wethouder minder. Eindhoven stuurt aan op eenvijfde tot een kwart minder ambtenaren. Tientallen gemeenten worden strenger met subsidies.

Is participatie dan écht die onstuitbare trend, of is het wensdenken van bestuurders met geldzorgen? Wensdenken komt zeker voor, in de akkoorden. Westvoorne schrijft dat „mondige en verantwoordelijke burgers” willen „meebeslissen over zaken die hen raken”. Zij zijn „bereid daarvoor ook verantwoordelijkheid te nemen”. Onduidelijk is of die mondige burgers er zijn, in Westvoorne. En zo ja, hoeveel.

Ook volgens gemeente Zwartewaterland zijn inwoners „heel goed in staat” verantwoordelijkheid te nemen. En dus beschouwt de gemeente het „volop” betrekken van de Zwartewaterlandse samenleving bij beleid als „speerpunt”. Nijmegen boekt alvast een bezuiniging in op groenonderhoud vanuit het idee dat genoeg burgers zelf hun eigen omgeving willen „vormgeven en onderhouden”. Dat zou fijn zijn voor Nijmegen: de bezuiniging op openbaar groen bedraagt drie ton in 2015 en 800.000 euro vanaf 2016.

Zoeken naar ‘goede oplossingen’

Ook de maatregelen bedoeld om participatie aan te zwengelen zijn vaak onhelder. Deels zal dat samenhangen met de aard van een coalitieakkoord: dat is immers niet meer dan een schets van de beleidsvoornemens van de komende vier jaar. Toch mag je concrete plannen verwachten waar participatie zo’n essentieel deel van de akkoorden uitmaakt. Maar gemeenten lijken nog vooral in de experimenteerfase. Den Haag „staat open” voor initiatieven als de bouw van een eigen huis en oprichting van een eigen zorgcoöperatie. Utrecht „zoekt” naar „andere en nieuwe vormen van samenwerking en participatie”. Terschelling zal een „gezamenlijke visie” op „interactieve besluitvorming formuleren”. Tilburg gaat „samen met bewoners” participatievoorbeelden uit Den Haag en Engeland „bekijken”, om te zien of dit „goede oplossingen voor Tilburg zijn”.

Er is vaagheid, er is scepsis, maar één ding is zeker: burgers met participatiedrang beginnen aan vier gouden jaren.