De korte mars naar 10.000 Chinese musea

Chinese museumdirecteuren zijn deze week op werkbezoek in Nederland. Iedere werkdag opent in China een nieuw museum. Maar kennis en kunst zijn nauwelijks voorhanden.

Feestelijke opening van het Shangdong provinciaal museum, Jinan, 2010Foto Xinhua News Agency / eyevine / HH

‘Weet je waarom de Chinese musea de grootste van de wereld zijn? Omdat het bijna altijd statusprojecten van bestuurders zijn die niets van kunst af weten. Alleen size matters, hoe groter, hoe beter”, snuift Ma Weidu met onverholen minachting. Ma’s eigen Guanfu-musea, waar een deel van zijn beroemde collectie traditionele Chinese kunst en antiek wordt geëxposeerd, zijn relatief klein, niet gratis en worden toch druk bezocht. Dat heeft zeker ook te maken met zijn faam als de tv-presentator en expert van de Chinese variant van AVRO’s Tussen Kunst en Kitsch. Als Ma Weidu in zijn veelbekeken uitzending zegt dat iets mooi of waardevols is, of fake of fout, dan is dat zo.

„Wij bouwen te snel en te veel musea, het Nationale Museum in Beijing bijvoorbeeld is het grootste museum van het land, maar de collectie stelt niet veel voor en dat geldt voor de meeste overheidsmusea”, vindt de voormalige kunstjournalist die in 1997 als eerste verzamelaar zijn eigen museum opende, een nieuwe trend in de bouwput China.

In honderden nieuwe steden en wijken verrijzen op het ogenblik naast de hoge flatgebouwen en winkelparadijzen pompeuze musea, theaters, nieuwe kunstacademies en concertzalen. De politieke en culturele fine fleur knipt iedere dag wel ergens een rood lint door voor de ingang van een nieuw museum, vaak in het bijzijn van een beroemde buitenlander.

Er is sprake van een indrukwekkende culturele inhaalslag in de tweede economie van de wereld. „Het volk is gevoed en gekleed en daarom is het nu tijd om de cultuur te ontwikkelen en de spirituele noden te vervullen”, aldus de Global Times, de tabloidkrant van de Communistische Partij van China. De tijd dat „cultuur een wapen was om het volk te verenigen en de vijand te vernietigen” (dixit Mao Zedong) is voorbij.

Maar voor het eerst rijzen er nu ook twijfels over het bouwtempo. De kritiek op de vaak afgelegen locaties in nieuwe wijken van glas en beton en het gebrek aan interessante collecties, exposities en deskundige museumdirecties groeit. Ma Weidu en vooral de gezaghebbende hoogleraar museologie Lu Jiansong van de Fudan Universiteit in Shanghai oordelen niet mals over de explosie van musea. Een giftig artikel van Lu’s hand in het weekblad Nanfang Zhoumo heeft in de kunstwereld grote beroering gewekt.

Vincent van Gogh

De ambtelijke top van de Chinese culturele beleidsmakers is inmiddels op zoek naar internationale museale hulp, vooral van Nederlandse en Britse zijde. Op uitnodiging van DutchCulture in Amsterdam en het ministerie van Buitenlandse Zaken bezoekt deze week een zware Chinese delegatie van topambtenaren en museumdirecteuren het Rijks, het Stedelijk, Boijmans Van Beuningen, Kröller-Muller, Haags Gemeentemuseum en het Van Gogh Museum. Het plan is dat in Nederland toekomstige Chinese conservatoren en museummanagers worden opgeleid en tentoonstellingen – bijvoorbeeld van Van Gogh – worden uitgewisseld.

„Onze bestuurders en studenten kunnen veel van jullie aanpak leren. Provinciale en stedelijke politici hier denken dat een museum bouwen net zo makkelijk is als een huis neerzetten. Daardoor zijn tal van musea ongeschikt voor verschillende soorten exposities, meestal ontbreken ruimtes voor studie, voor opslag en voor publieke activiteiten. De bouwers schakelen namelijk nooit de museumexperts in”, licht professor Lu op zijn campuskantoor toe. „Het enige wat telt zijn het aantal vierkante meters en de reputatie van de architect. Musea zijn symbolen van politieke daadkracht van bestuurders die geen benul van kunst en cultuur hebben maar wel carrière willen maken.”

Bouwbudgetten worden vaak overschreden, want groter is beter. Op tientallen miljoenen euro’s meer wordt niet gekeken. „Meestal is na de officiële opening het budget uitgeput en wordt in de daarop volgende jaren bezuinigd om de bewakers en de elektriciteit te kunnen betalen. Er is dan geen geld meer om een deskundige conservator aan te stellen, een educatief programma op te zetten of exposities te organiseren. Sommige musea doen mij dan ook denken aan zwembaden zonder water”, smaalt Lu.

Chinese MoMA

Mooi voorbeeld is het Power Station of Art in Shanghai, een prachtig verbouwd fabriekscomplex aan de Huangpu-rivier op het terrein van de Wereldexpo, maar moeilijk bereikbaar. De opening, een jaar geleden, ging gepaard met een expositie van het Franse Centre Pompidou en een indrukwekkende, drie maanden durende overzichtsexpositie – Portrait of the Times – van 30 jaar contemporaine kunst in China. Alle stromingen waren met werk van de belangrijkste Chinese kunstenaars aanwezig, op Ai Weiwei na. De media spraken over de opening van het Chinese MoMA en de Chinese Tate Modern. Aan gebrek aan ambities ontbreekt het nooit in Shanghai. Sindsdien is het akelig stil in het Power Station of Art op een paar onbeduidende exposities na. „We hebben geen budget om ieder jaar onze dromen waar te maken en we hebben geen eigen collectie”, vertelt directeur Li Xu.

Uit onderzoek van professor Lu van de Fudan Universiteit is gebleken dat alle overheidsmusea – op 25 na – met dit soort problemen worstelen. „Sinds de Songdynastie is de definitie van wat waardevol cultureel bezit is, beperkt gebleven. Alleen voorwerpen van goud, zilver en brons én keramiek werden tot ver in de 20ste eeuw waardevol geacht. Vandaar dat de collecties in Chinese musea zo homogeen zijn, om niet te zeggen monotoon. Er is natuurlijk ook veel gestolen, geroofd door westerse bezetters of vernietigd in de chaos van de vorige eeuw.”

Het meest beruchte voorbeeld daarvan is de nog altijd schandalige plundering en vernietiging van het Keizerlijke Zomerpaleis (Yiheyuan) door de Engelsen en de Fransen in 1860. En na „de bevrijding”, zoals in China de communistische revolutie wordt genoemd, hadden Mao en de zijnen andere prioriteiten en ging alles wat doorging voor westerse kunst de kachel in. Alleen revolutionaire kunst was toegestaan.

Behalve gebrek aan overheidsgeld en collecties kampen musea met gebrek aan deskundige staven, vertelt Lu Jiansong. „Zijn” studenten, die door hem worden opgeleid tot toekomstige managers en conservatoren, komen moeilijk aan het werk omdat zij, willen zij bij een overheidsmuseum in dienst worden genomen, een speciaal ambtenarenexamen moeten afleggen. „En zij moeten over goeie politieke connecties beschikken die hen aan een baan kunnen helpen”, gromt Lu, die een lange lijst van voor de hand liggende aanbevelingen heeft opgesteld om Chinese musea aantrekkelijk te maken.

Volgens verzamelaar en tv-presentator Ma Weidu moet om te beginnen de Chinese museumbezoeker een toegangsprijs gaan betalen. „Een van de grote problemen van de Chinese overheidsmusea is dat zij gratis zijn omdat zij worden betaald met belastinggeld”, legt hij uit. Behalve slecht voor de balans, krijg je ook alle pensionado’s uit de buurt over de vloer die hun dagelijkse gymoefeningen komen doen of in je cafetaria gaan kaarten of mahjongen. In de bloedhete zomermaanden, als de airco aanstaat, komen complete families verkoeling zoeken. „Zet je dan de airco af en dim je de lichten om hen weg te krijgen, zoals het Museum van Hangzhou heeft geprobeerd, dan gaat het snel stinken en ontstaat er tumult”, weet hij van zijn collega’s die openbare musea managen. Professor Lu: „Het punt is dat de directies van overheidsmusea en hun conservatoren helemaal niets te vertellen hebben. De beslissers zitten elders.”

Vastgoedmiljardair

Dat is in de kern de reden dat verzamelaars als Ma Weidu en het puissant rijke echtpaar Liu Yiqian en Wang Wei en de Chinees-Indonesische zakenman Tek Yuz in Shanghai hun eigen musea hebben geopend en hun verzamelingen niet onderbrengen in overheidsinstellingen. Vastgoedmiljardair Liu en de kunsthistorica Wang bezitten de grootste particuliere collectie moderne westerse en Chinese kunst, naast revolutionaire en klassieke Chinese kunst. Liu kocht onlangs nog een minuscuul porseleinen Ming-kopje voor 36 miljoen dollar dat in de loop van dit jaar in hun pas geopende Long Museum een plaats zal krijgen.

Volledig baas in eigen huis zijn de rijke kunstverzamelaars niet, net zo min als kunstenaars en schrijvers vrij zijn van de bemoeienis van de Communistische Partij van China, de centrale dirigent van de smaak. Culturele ontwikkeling wordt gestimuleerd, kunst kan en mag losstaan van de maatschappij en de politiek, maar de overheid volgt nauwlettend of er geen vaak onzichtbare rode lijnen worden overschreden. Voor iedere expositie, ook van buitenlandse collecties, is goedkeuring nodig. Controversieel, politiek en provocerend of te naakt werk blijft voor het publiek daardoor onzichtbaar. Ai Weiwei of het schilderende echtpaar Sun Yuan en Peng Yu zal je ook in het Long Museum in Shanghai-Puxi niet uitgebreid tegenkomen. Directeur van het Long Museum Huang Jian, een kunsthistoricus, zegt over de bemoeienis – lees censuur – van de overheid dat de grenzen altijd onduidelijk zijn. „Maar wij zijn Chinees, wij werken en leven hier, wij zijn ons zeer bewust van onze omgeving. Wij zullen daarom onze kunstwerken nooit gebruiken om een onnodige botsing met de overheid te veroorzaken. Dat betekent dat wij sommige werken met een puur politieke inhoud of heel veel bloot altijd zullen mijden.”