Asielzoekers zitten vast in niemandsland

Wie is er verantwoordelijk voor afgewezen asielzoekers? Dat is lang niet altijd even duidelijk.

De ruim honderd mensen in het voormalige gevangeniscomplex aan de Havenstraat in Amsterdam kregen opvang tot 1 juni. In ruil zouden ze ‘aan hun toekomst werken’. Enkelen kregen een verblijfsvergunning, enkelen keerden terug naar hun moederland. Verreweg de meesten staan nu nog op hetzelfde punt als begin dit jaar. Foto’s Ton Hendriks/Hollandse Hoogte

Morgen moet een grote groep vluchtelingen in Amsterdam hun onderkomen uit waar ze het afgelopen half jaar op adem mochten komen. Niemand weet wat er straks met hen gebeurt. Het leefgeld dat ze van de gemeente Amsterdam kregen – 35 euro per week – is gisteren al gestopt.

De groep van ongeveer honderd asielzoekers die op straat komt te staan, bezorgt bestuurlijk Nederland hoofdpijn. Al bijna twee jaar lang.

De rechter bepaalde dat de asielzoekers tot morgen de tijd hebben om de zogenoemde Vluchthaven, het voormalige gevangeniscomplex waar ze woonden, te verlaten. Dan hebben ze er ruim een half jaar gezeten, met goedvinden van de burgemeester van Amsterdam en van staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie, VVD).

De Amsterdamse rechter deed eind vorige week twee uitspraken in hun zaak. Ten eerste dat de gemeente in zijn recht staat om de voormalige gevangenis te ontruimen. Tegelijk is volgens de rechter heel goed mogelijk dat een deel van de illegalen wel degelijk aanspraak op opvang kan maken.

Deze tegenstrijdig klinkende uitspraak van de rechter is de zoveelste illustratie van het bestuurlijk niemandsland waarin illegalen in Nederland leven, zegt hoogleraar migratierecht Thomas Spijkerboer. „Er bestaat grote onzekerheid bij bestuurslagen wat met deze groep moet gebeuren.”

Wanneer bestaat recht op opvang?

Illegalen kunnen op basis van vier gronden aanspraak maken op (tijdelijke) opvang. Als ze zo ziek zijn dat ze een bed nodig hebben om in te kunnen worden verzorgd. Als ze minderjarige kinderen hebben. En als ze op het punt staan om terug te keren naar hun land van herkomst.

Sinds vorige maand is er nog een grond bijgekomen. In juni oordeelde de Centrale Raad van Beroep, één van de hoogste bestuursrechters in het land, dat een staatloze Palestijn opvang moet krijgen vanwege een „combinatie van omstandigheden”. Omdat hij (psychisch) ziek is, maar ook omdat zijn situatie uitzichtloos is en hij meermalen vergeefs heeft geprobeerd naar een ander land te vertrekken.

Zo’n „combinatie van omstandigheden” zou ook voor mensen uit de Vluchthaven kunnen opgaan, verwacht hun advocaat Pim Fischer. Velen van hen zijn in de afgelopen jaren ook meermaals bij de ambassade van hun land geweest om te zien of ze terug kunnen keren. Telkens worden hun de benodigde papieren geweigerd.

Welk ‘loket’ hun hulp biedt

Als de vreemdeling aanspraak mag maken op hulp, moeten advocaten van de vreemdelingen steeds bij de rechter uitvechten waar ze die krijgen. „De verantwoordelijkheid hangt eigenlijk tussen alle instituties in, en ligt daarmee eigenlijk bij niemand”, zegt hoogleraar Thomas Spijkerboer.

De rechter kan gemeenten op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning aanwijzen als verantwoordelijke voor opvang en bijstand. Sommige gemeenten hebben nu min of meer structurele vormen van opvang. In Utrecht regelde het college opvang voor enkele tientallen mannen. Ook in Amsterdam komt mogelijk een sobere opvang voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Maar geen enkele gemeente wil de kier zijn waardoor ‘calculerende migranten’ ongelimiteerd naar Nederland kunnen komen.

Vaak verwijzen gemeenten in rechtszaken door naar het rijk – naar het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Dat voorziet in opvang voor asielzoekers die nog in procedure zijn én voor degenen die zich klaarmaken voor of meewerken aan hun vertrek uit Nederland. En voor illegalen in acute medische nood. Het COA wil geen opvang regelen voor gezinnen of mensen die ‘kwetsbaar’ zijn, maar hier illegaal wonen en geen procedure meer hebben lopen.

De rommelige rechtspraak

Twee van de hoogste bestuursrechters in Nederland – de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep – plús de Hoge Raad, de hoogste instantie voor de andere rechtsgebieden, doen soms uitspraken over de opvang van vreemdelingen. Daardoor wordt hun situatie er niet altijd duidelijker op.

Zo creëerde de Raad van State begin dit jaar een derde ‘opvangmogelijkheid’, naast gemeenten en het COA. Bij ‘verdragsrechtelijke verplichtingen’, dus als de vreemdelingen vinden dat zij volgens mensenrechtenverdragen recht op opvang hebben, zijn gemeenten én COA inderdaad niet het aangewezen loket. Vreemdelingen moeten hun verzoek volgens de Raad van State richten tot de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie – alleen die heeft in de praktijk helemaal geen ‘eigen’ opvangmogelijkheid.

Van de drie rechters denkt de Raad van State vooral vanuit het kabinetsbeleid, zegt Spijkerboer: „Die is het meest geneigd om de redenering van de staat te volgen dat wie is uitgeprocedeerd, geen recht heeft op opvang.” De Centrale Raad van Beroep kijkt meer vanuit de basale rechten op sociale zekerheid naar zaken. De uitspraken van de laatste vallen vaker in het voordeel van vreemdelingen uit.

Hoe het verder moet

Het kabinet wil geen permanente oplossing voor uitgewezen vluchtelingen. Die politieke werkelijkheid kan veranderen door een uitspraak die binnenkort verwacht wordt van het Europees Comité voor Sociale Rechten, over de vraag of Nederland moet voorzien in de basisbehoeften van illegalen. De PvdA heeft al eens gezegd dat ze die uitspraak wil volgen.

Tot die tijd staat de groep uit de Vluchthaven voor een dilemma: bij elkaar blijven en zo collectief de aandacht houden. Of individueel verder ‘rommelen’ en meer kans op opvang voor zichzelf maken.