Terug naar de straatcultuur

Futebol de salão lijkt het geheim achter het succes van Zuid-Amerikaanse en Zuid-Europese voetballers. Dat zagen ze bij Ajax, waar jeugdspelers nu ook in de zaal voetballen. „De cultuur van de straat moet terug naar het veld.”

In Zuid-Amerikaanse landen als Brazilië beginnen jongeren met futsal. Net als Messi en Neymar, die in de zaal de basis legden voor hun carrière. Foto Reuters

Een quizvraag: wat hebben Cristiano Ronaldo, Messi en Xavi nog meer met elkaar gemeen dan hun geweldige voetbalkwaliteiten? Het antwoord: futebol de salão. Zaalvoetbal.

Alle drie genomineerden voor de wereldvoetballer-van-het-jaar-verkiezing in 2012, zijn in de zaal begonnen. Evenals bijna alle spelers van het Braziliaanse elftal, dat vanavond de halve finale van het WK speelt tegen Duitsland.

Toeval? Nee, want ook voetbalhelden als Romario, Pelé en Sócrates speelden ooit futsal, zoals de binnenvariant officieel heet. Om Pelé te citeren: „In de zaal ontwikkelde ik mijn balcontrole, reactievermogen, dribbel en passing. Het was heel, heel belangrijk.”

Johan Cruijff

Bij Ajax weten ze dat inmiddels ook. Daar is afgelopen najaar geëxperimenteerd met futsal. Mede op advies van Johan Cruijff, wiens bemoeienis niet los kan worden gezien van de ontwikkeling. Dat vertelt Michel Hordijk namens Ajax: „Cruijff wil de cultuur van de straat terugbrengen op het veld. Futsal is geen straatvoetbal, maar het komt op hetzelfde neer.”

Kenmerken van futsal zijn de kleinere, zwaardere bal, het veel kleinere veld en de vlakke ondergrond. Hordijk: „In de zaal zijn spelers aangewezen op andere omstandigheden. Het draait niet om fysiek spel, maar om techniek en creativiteit. We willen ze de vrijheid te geven om te experimenteren. Kinderen zijn visueel ingesteld. Ze zien een truc en doen die na. Dat werkt beter dan direct al met tactiek te beginnen.”

In officiële termen is Hordijk technisch manager onderbouw bij de jeugd van de landskampioen. Simpeler gezegd: hij houdt zich met enkele collega’s continu bezig met de vraag hoe jongetjes van pakweg tien jaar nog beter kunnen worden.

Parkeerplaats

Met futsal dus. Het spelletje dat onophoudelijk wordt gespeeld in Zuid-Europa en Zuid-Amerika, het continent waar het ooit is bedacht (Argentinië, jaren dertig) en kinderen in competitieverband in de zaal spelen. Mede omdat er weinig ruimte is voor elf tegen elf. Vooral in de volgebouwde favela’s van Brazilië is vijf tegen vijf daarom een dankbaar alternatief. Tot in de late uren wordt er gespeeld.

Daar nog wel. In Nederland gebeurt dat steeds minder. Zeker, er wordt nog gevoetbald, maar dan op de Playstation. Vandaar het initiatief van Ajax (Feyenoord en PSV doen ook mee) nadat jeugdteams in Amsterdam eerder al trainden op de enorme parkeerplaats naast de voetbalvelden. „Voorheen voetbalde 80 procent van onze jeugdspelers zeker een uur per dag op straat”, weet Hordijk. „Nu misschien de helft van dat aantal.”

In termen van de KNVB is het dan ook een kunstmatige ingreep om de techniek van de jeugd op peil te houden. Vraag verantwoordelijk bondsmedewerker Marius Privee (61) ernaar en hij begint weemoedig te vertellen. „Wij voetbalden met tennisballen, in steegjes en tegen garagedeuren. Waar dan ook. Maar dat is niet meer.”

In zijn ogen werd in Zuid-Amerika en Zuid-Europa veel eerder beseft dat futsal een vruchtbare basis kan vormen. Een bewijs vormt de selectie van grootmacht Barcelona, die negen voormalige zaalvoetballers telt. Van Xavi en Iniesta tot Messi en Neymar.

Dribbelkoning

Zo’n goede veldspeler als de Spanjaarden is Edwin Grünholz nooit geworden, maar in de zaal zou hij niet voor ze hebben ondergedaan. Hij gold jarenlang als de dribbelkoning van de Haagse Schilderswijk. Een watervlugge zaalvoetballer die de mooiste doelpunten maakte met zowel zijn linker- als rechterbeen, bewijzen compilaties op YouTube.

Op de vraag of het zinvol is dat jeugdspelers van Ajax de zaal ingaan, antwoordt hij resoluut: „Absoluut. Je speelt in kleine aantallen en komt daardoor veel vaker aan de bal. Hoe sterk en groot je ook bent, in de zaal komt het aan op andere kwaliteiten. Sneller overspelen bijvoorbeeld.”

Hijzelf was een bijzondere voetballer. Onnavolgbaar voor opponenten en een smaakmaker voor het publiek, bij onder meer de verdwenen topclub Bunga Melati. Maar zijn optredens voor volle zalen hielden niet in dat hij ook op gras schitterde. Hij speelde bij ADO Den Haag, RBC en Roda JC, maar blonk niet uit. „Zo kun je dat zeggen. Al had ik er misschien meer uit kunnen halen als trainers andere keuzes hadden gemaakt.”

Het geeft aan dat een goede zaalvoetballer niet per se een goede veldspeler is. Maar waarom niet? „Door een gebrek aan snelheid”, denkt Ajax-coördinator Hordijk. „Vooral in het moderne voetbal draait het meer om explosiviteit. Neem de wijze waarop Arjen Robben langs Sergio Ramos sprintte in de wedstrijd tegen Spanje. Zo veel snelheid is in de zaal niet nodig.”

Sommige zaalvoetballers vergelijkt hij met types als Willem van Hanegem en de Italiaan Andrea Pirlo, die het spel verdeelden zonder veel te lopen. „Pirlo loopt nog minder dan een keeper, bij wijze van spreken. Daarvan zie je er steeds minder.”

Iniesta

Bij de KNVB verwachten ze dat futsal steeds populairder wordt. „Dat zien we al”, zegt bondsmedewerker Marius Privee. „Als grote clubs als Ajax de stap zetten en topspelers als Hulk en Iniesta benadrukken hoe belangrijk het voor hen was, zullen steeds meer jongetjes de zaal in gaan.” Net als in Engeland. Daar wordt futsal zelfs beschouwd als de redding van het Britse voetbal. Privee: „Die competitie is misschien de beste van de wereld door alle buitenlanders, maar de Engelsen zelf lagen er snel uit op het WK.”

Om in de hoopvolle bewoordingen van de BBC te spreken: „Misschien kan futsal een Engelse Messi voortbrengen.”