Column

Liedjes zingen als bewijs voor je identiteit

Adriaan van Dis wijst naar zijn hand: „Dit is mijn identiteitskaart.” De kleur blank. Van Dis is een dag op bezoek in de stad waar hij ruim zeven jaar woonde. Parijs ‘ontkooide’ hem en hield zijn geest ‘elastisch’ – belangrijk in een wereld die voortdurend aan het veranderen is. Hij dwaalde door buitenwijken, ontmoette allerlei mensen en noteerde hun verhalen, belde met de illegalen die hun werkzaamheden aanbieden op handgeschreven briefjes.

In zijn observatiebundel Stadsliefde. Scènes in Parijs beschrijft Van Dis hoe in de metro om zijn identiteitspapieren wordt gevraagd. Hij speelt de domme buitenlander en dat werkt, ‘zoals altijd’. Iets verderop zit een zwarte jongen die ook geen papieren bij zich heeft. Ze willen hem meenemen naar het bureau, maar de jongen protesteert: hij is Frans. Eén van de agenten vraagt of hij de Marseillaise, het volkslied, kent. De jongen zingt, weet de tekst en melodie. Hij krijgt applaus, schouderklopjes. Geslaagd. „In Nederland zou ik zakken”, schrijft Van Dis.

„Wie gekleurd is, moet zo’n 7 keer per dag zijn identiteitsbewijs laten zien.” (Wie ‘donker gekleurd’ is, zou ik hier willen aanvullen. Want zolang de definitie ‘wit gekleurd’ niet bestaat, blijft blank een soort neutraliteit suggereren.) „Slechts 9 procent van de wereldbevolking is blank”, benadrukt Van Dis. Welke cijfers we als maatgevend beschouwen, is nogal selectief. Inclusiviteit heeft alles met symboliek te maken en niets met statistiek. Daarom is het misschien niet eens zo vreemd om het volkslied belangrijker te vinden dan correcte papieren.

Hoe zou de wereld klinken wanneer niet vingerafdrukken en documentnummers ons bestaansrecht bepalen, maar liedjes? Het nationalisme van nu heeft geen behoefte aan nog meer negatieve definities – grenzen dicht, krampachtig traditiebehoud, minder dit en minder dat – maar aan vrolijke vieringen. Voetbal laat dat zien: het spel verbindt. ‘Onze jongens’ zijn geen soldaten met bajonetten maar ballentrappers met gouden pikken. Het ‘wij’-versus-‘zij’-sentiment floreert, een onschuldige krijgersdrift neemt kortstondig bezit van het land. Zelfs de „mensen van de nuance” (zoals een vriendin zichzelf enigszins koket typeerde) schreeuwen en juichen, omhelzen elkaar na de verlossende eindfluit, maken een erehaag voor Krul en willen een borstbeeld voor Louis van Geniaal.

We moeten liedjes zingen als identiteitsbewijs. Niet de kleur van je huid, maar de klank uit je keel zal je go-kaart tot de wereld zijn. Bejaarden hoeven voortaan geen rijvaardigheidstest te doen als proeve van kwieke anticipatie: laat ze gewoon een nummer van Lady Gaga zingen of twerken op ‘Blurred Lines’. Voortaan tonen jongeren geen ID-kaart aan de caissière, maar brengen ze een luidkeelse golden oldie ten gehore. (En wie Justin Bieber kent, wordt overal geweigerd).

Laat nieuwkomers in Nederland ondertussen vast We Are The Champions instuderen.