Over de ov-chipkaart is 20 jaar nagedacht

Het papieren kaartje verdwijnt nu écht. Vanaf morgen kun je niet meer treinreizen zonder chipkaart. Al sinds de jaren negentig wordt ermee geëxperimenteerd.

Waarom iets behouden als het beter kan? Voor bankbetalingen gebruik je ook geen acceptgiro meer.

Morgen verdwijnt het papieren treinkaartje. Tijden veranderen nu eenmaal, en dat gaat trouwens behoorlijk langzaam. Al ruim twintig jaar geleden, in 1992, vond de NS eigenlijk dat papieren treinkaartjes uit de tijd waren. Pas nu is het eindstation van een reis met veel vertraging eindelijk bereikt.

De NS begon begin jaren negentig met experimenteren met een ov-chipkaart. „We hadden toen net het contract voor de ov-jaarkaart voor studenten binnengesleept”, vertelt Wytze de Boer, die toen ‘projectleider chipkaart’ voor de NS was, „maar we konden nog op geen enkele manier aantonen hoe vaak de kaart gebruikt werd. In- en uittikken, zo noemden we een van de meetsystemen waar we tevreden over waren.”

Op papier waren de mogelijkheden voor zo’n chipkaart eindeloos. Met het plaatsen van poortjes op de stations zouden de grootste overlastveroorzakers worden geweerd: zwartrijders. Met één chipkaart voor alle vervoerders zou de passagier nooit meer in de rij hoeven staan voor een kaartjesautomaat. Betalen zou vrijwel automatisch gaan. Niet alleen voor je ov-kaart, maar ook voor je koffie en krant op het station. Vooral studenten, die toch al een ov-kaart krijgen, zouden ervan kunnen profiteren. De kaart zou ook een collegekaart zijn, waarmee je ook boeken kan lenen bij de universiteitsbieb, zaken kan doen met de IB-groep en afdrukken kan maken bij het kopieerapparaat. Voor het eind van de twintigste eeuw zouden alle papieren kaartjes moeten worden vervangen, werd in 1998 na een paar jaar experimenteren en discussiëren besloten.

Dat lukte niet.

Als je maar genoeg toepassingen op een kaart zou stoppen, zou het vanzelf populair worden: regel een keer een chipkaart met automatisch opladen en je hoeft je nergens meer zorgen over te maken. De Boer: „Maar het was begin jaren negentig al een uiterst complex proces om alle partijen op een rij te krijgen. Laat staan de banken voor de betalingen.”

Toen de kaart in 2008 – na jarenlange vertraging en kostenoverschrijdingen - eindelijk werd geïntroduceerd, waren er vooral zorgen. De kaart bleek eenvoudig te hacken en er was kritiek van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) omdat gegevens van reizigers te lang bewaard bleven.

Sindsdien roept de kaart die het leven van de ov-reiziger simpeler zou moeten maken vooral veel weerstand op. Dat was in 1992 juist niet de bedoeling. Na de eerste fase stond volgens De Boer klantvriendelijkheid voorop. „We waren toen vooral bezig met seamless travel, naadloos reizen. Voor de reiziger moest het zo makkelijk mogelijk zijn. Met meer anonieme mogelijkheden en automatisch korting als je vaak op een traject reed. Maar die basis is nooit helemaal omarmd.”