Nu: ‘Waarom zijn er geen paaltjes op het perron van Utrecht Centraal?’

Vooruitgang is mooi. Maar het gebruik van de ov-chipkaart is niet op alle fronten als vooruitgang te bestempelen. De openbaarvervoerforens wordt geconfronteerd met een aantal matige situaties tijdens het reizen.

1. Het stomste van de ov-chipkaart is het ellendige in- en uitchecken bij het overstappen op een andere vervoerder. (Zo heet dat in ov-jargon.) Neem eens een kijkje op station Amsterdam Amstel in de ochtendspits. Treinreizigers uit Utrecht, die overstappen op de metro naar de binnenstad, moeten naar de overkant van het perron. Vroeger, toen er nog niet in- en uitgecheckt hoefde te worden, kon je de metro die tegelijkertijd met de trein aankwam altijd halen: treindeuren gaan open, je trippelde naar de overkant, je stapte in de metro en hij reed weg. Tegenwoordig moeten die treinreizigers naar een van de drie NS-uitcheckpaaltjes op het perron om uit te checken, om daarna hun kaartje langs het aanpalende GVB-incheckpaaltje te houden om in te checken voor de metro. In de spits sta je daar nóóit in je eentje – het is altijd dringen en een gedoe, en natuurlijk is er een treuzelaar die ter plekke de kaart moet zoeken in z’n tas, of een forens die met zo’n veel te grote vouwfiets tegen je schenen duwt. En de metro rijdt ondertussen weg. Dat gehannes rond twee paaltjes, dat kan toch nooit het toekomstbeeld zijn geweest dat de NS en het ministerie van Verkeer en Waterstaat ooit voor ogen hadden?

2. Ook stom: de plekken waar de paaltjes staan. Op veel treinstations staan poortjes, zodat het inchecken niet vergeten kan worden. Maar neem het onwijs grote station Utrecht Centraal, daar staan geen poortjes, alleen paaltjes. Geen poortjes? Nee, want dat station wordt ook gebruikt om vanaf de Jaarbeurs naar het centrum van Utrecht te lopen. En de in- en uitcheckpaaltjes staan aan de rand van de stationshal. Als je je dus pas op het perron realiseert dat je vergeten bent in te checken, dan ben je lekker de sjaak: moet je weer helemaal terug naar de ingang van de stationshal. Vroeger, toen er nog niet in- en uitgecheckt hoefde te worden, liep je met je abonnement in je portemonnee de stationshal in. Niets aan de hand.

3. Überhaupt stom: dat je, óók als je een abonnement hebt, tegenwoordig altijd moet in- en uitchecken. Het simpele treinreizen, zonder nadenken naar het perron lopen en in de trein stappen, dat bestaat niet meer. Dit heeft niets met nostalgie te maken, maar alles met gebruiksvriendelijkheid (om het modewoord ‘privacy’ maar niet te noemen).

4. Wat ook nog opgelost moet worden: technische storingen. Wat moet je als forens nou met een incheckpaaltje waarop een post-it zit geplakt: „DEFECT. Gebruik andere” (waargebeurd). Ja, naar een ander paaltje lopen natuurlijk. Want geen treinconducteur die zal zeggen: „Oh, was het paaltje defect, ja, nee, daar kunt u niets aan doen, niks aan de hand, hoor.” Ons lot ligt toch niet in handen van een systeem?

5. En in de categorie ‘superklein leed waar de forens ook mee te maken heeft’, valt nog de logistiek van het ‘aanbieden van de ov-chipkaart aan de incheckpaal’. Steeds meer pasjes hebben een chipsysteem. Kantoorpersoneel heeft een pasje met chip waarmee de poortjes op het werk opengaan. En de ID-kaart heeft tegenwoordig ook een chipdingetje. Dus je kunt je portemonnee met al die pasjes niet gewoon voor de NS-paal houden. „Bied maximaal één ov-chipkaart aan!” roept hij dan. Nu is het de NS ook al gelukt om onze portemonnee te reorganiseren.

Vooruitgang is mooi. Maar prettig reizen met de trein is mooier.